04/5578 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 31 augustus 2004, nr. WW 04/204, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 23 november 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. N. Strikwerda, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde niet is verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. Naar aanleiding van de aanvraag van gedaagde van 12 augustus 2002 heeft appellant bij besluit van 6 december 2002 aan gedaagde met ingang van 27 augustus 2002 een WW-uitkering toegekend. Nadat was gebleken dat gedaagde het zogenoemde werkbriefje over de periode van 25 november 2002 tot en met 22 december 2002 niet had ingezonden, heeft appellant bij brief van 15 januari 2003 aan gedaagde verzocht dit alsnog te doen om het verdere recht op uitkering te kunnen vaststellen. Omdat gedaagde ook daarna het genoemde werkbriefje niet heeft ingeleverd, heeft appellant bij besluit van 22 augustus 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 januari 2004 (het bestreden besluit), de WW-uitkering van gedaagde met ingang van 25 november 2002 beëindigd, aangezien het recht op uitkering niet meer kon worden vastgesteld. Daarbij is tevens aangegeven dat uit de gegevens in het dossier op geen enkele wijze is gebleken dat aan gedaagde een oriëntatieperiode is toegekend, noch dat hij is vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe is overwogen dat uit de tweede zinsnede van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW volgt dat appellant pas tot herziening van de uitkering overgaat indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting bedoeld in artikel 25 van de WW ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op een uitkering bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het niet inleveren van een werkbriefje niet per definitie tot een dergelijke situatie. Toepassing van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW vergt volgens de rechtbank dat naast de vaststelling dat de inlichtingenverplichting van artikel 25 van de WW niet of niet behoorlijk is nagekomen, tevens wordt beoordeeld of zich de situatie voordoet dat het recht op uitkering dientengevolge niet meer kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat deze beoordeling in de onderhavige situatie ontbreekt. Dit klemt volgens de rechtbank te meer nu door gedaagde meerdere keren is aangegeven dat hij gedurende de aan de orde zijnde periode bezig was met het oprichten van zijn eigen bedrijf. Hiermee heeft hij naar het oordeel van de rechtbank, op een weliswaar andere wijze dan door middel van het inleveren van werkbriefjes, wel degelijk informatie omtrent zijn werkzaamheden aan appellant verschaft. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat gedaagde voorafgaand aan het toekenningsbesluit van 6 december 2002 wel werkbriefjes heeft ingevuld en ingeleverd en dat deze verplichting ook geldt wanneer een oriëntatieperiode is toegekend, hetgeen in dit geval overigens niet is gebeurd en ook niet is aangevraagd. Bovendien blijkt volgens appellant uit de door gedaagde in de bezwaarfase overgelegde brief van 19 januari 2003, waarin gedaagde reageert op het verzoek van appellant van 15 januari 2003 om het bewuste werkbriefje alsnog in te dienen, niet dat hij nog stond ingeschreven als werkzoekende, welke inschrijving blijkens het laatst ingeleverde werkbriefje duurde tot 16 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.