05/532 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen op 9 december 2004, nr. 04/113 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 11 januari 2006, waar partijen, appellant met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 1.1. Appellant was sedert 25 februari 2002 werkzaam als timmerman in dienst van [werkgever] (hierna: werkgever). Hij is per 8 februari 2003 uit dit dienstverband ontslagen wegens teruglopend werk en sombere vooruitzichten op nieuw werk. Op 8 april 2003 is de werkgever failliet verklaard. 1.2. Appellant heeft op 16 april 2003 bij gedaagde een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de WW omdat de werkgever ten aanzien van hem zijn betalingsverplichtingen niet (volledig) is nagekomen. Het gaat daarbij om de betaling van achterstallige vakantierechtwaarden. 1.3. Bij besluit van 30 september 2003 is appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op uitkering ingevolge de artikelen 61 en 62 van de WW, omdat zijn dienstverband reeds was geëindigd op het moment dat de werkgever in een toestand van betalingsonmacht kwam te verkeren. Volgens gedaagde is niet gebleken dat er een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking hebben geleid en de omstandigheden die hebben geleid tot de latere toestand van betalingsonmacht, welke volgens gedaagde op 8 april 2003 is ingetreden. Voorts is gedaagde van mening dat appellant niet adequaat actie heeft ondernomen om zijn vordering van vakantierechtwaarden op de werkgever voldaan te krijgen. 1.4. Bij het bestreden besluit van 8 januari 2004 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 30 september 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde de motivering van het primaire besluit gewijzigd in die zin dat appellant weliswaar recht heeft op een uitkering maar dat deze uitkering wordt geweigerd omdat hij een benadelingshandeling heeft gepleegd als bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW doordat hij niet adequaat actie heeft ondernomen om zijn vordering van vakantierechtwaarden op de werkgever voldaan te krijgen. 1.5. In beroep is gedaagde teruggekeerd naar zijn oorspronkelijke, in het primaire besluit neergelegde, standpunt dat appellant geen recht heeft op uitkering omdat zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 62 van de WW. 1.6. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat gedaagde hiermee de motivering van het bestreden besluit ingrijpend heeft gewijzigd en zij heeft daarin aanleiding gezien dat besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te vernietigen. De rechtbank zag echter tevens aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te beslissen dat voor appellant op grond van het bepaalde in artikel 62 van de WW geen recht op uitkering bestaat en te bepalen dat deze beslissing in de plaats treedt van het vernietigde besluit, een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht. 1.7. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat er wel een causaal verband bestaat tussen de omstandigheden die hebben geleid tot zijn ontslag en de omstandigheden die hebben geleid tot de blijvende betalingsonmacht van de werkgever. Voorts handhaaft appellant zijn standpunt dat hij wel adequaat actie heeft ondernomen jegens zijn werkgever om zijn vordering met betrekking tot de vakantierechtwaarden voldaan te krijgen. 2. De Raad overweegt het volgende. 2.1. De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of hij de rechtbank volgt in haar oordeel dat appellant op grond van artikel 62 van de WW geen recht heeft op uitkering ter zake van zijn vordering van vakantierechtwaarden. 2.2. Ingevolge artikel 62 van de WW bestaat geen recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW voor de werknemer wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van die wet, tenzij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.