04/527 WAZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 december 2003, nummer 02/2718 WAZ, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 januari 2006, waar appellante, zoals tevoren was bericht, zich niet heeft laten vertegenwoordigen en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.J. Rutgers, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante heeft in het verleden als zelfstandig poelier gewerkt gedurende ongeveer 75 uur per week. Vanaf 2 mei 1999 ontving zij een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is bij besluit van 6 december 2001 met ingang van 24 januari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daaraan ligt ten grondslag het oordeel van de verzekeringsarts A.C.M. Cooijmans, gebaseerd op eigen onderzoek op 23 april 2001, dat appellante op 24 januari 2002 werkzaam kon zijn in arbeid waarbij rekening wordt gehouden met beperkingen van de nek, hand- en vingergebruik en wat betreft staan, lopen en tillen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C.J. Bronk functies geselecteerd waarin appellante, rekening houdend met een reductiefactor van 0,51 een zodanig inkomen kan verdienen dat haar verlies aan verdiencapaciteit overeenkomt met een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, hetgeen appellante bij brief van 23 november 2001 is medegedeeld. Tegen het besluit van 6 december 2001 heeft appellante bezwaar gemaakt. In het aanvullend bezwaarschrift van 7 maart 2002 is daartoe onder meer aangevoerd dat haar gezondheidstoestand sinds de keuring door de verzekeringsarts Cooijmans was verslechterd door, onder meer, rugklachten. Het aanvullend bezwaarschrift eindigde als volgt: "Het is gemachtigde bekend dat bij uw instelling de bezwaarprocedure vrijwel in alle gevallen wordt afgehandeld met een dossierstudie door de bezwaarverzekeringsarts. In het geval van cliënte acht ik dit echter absoluut onvoldoende. Gelet op het feit dat zij op de dag dat zij bij de primaire verzekeringarts op het spreekuur was een goede dag had, acht ik het noodzakelijk dat cliënte nog een door een verzekeringsarts wordt gezien. Ik kan mij namelijk niet aan de indruk onttrekken dat het beeld van de verzekeringsarts door de goede dag van cliënte volkomen vertekend is. Ik verzoek u hierbij dan ook uitdrukkelijk cliënte nog eens op te laten roepen door de bezwaarverzekeringsarts." Vervolgens is na beoordeling van de zaak door de bezwaarverzekeringsarts T.P.A. Albertsma, die appellante zelf niet heeft onderzocht, maar overigens wel vaststelde dat maximaal 40 uur per week / 8 uur per dag passende arbeid was toegestaan, het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 22 augustus 2002, verder: het bestreden besluit. De bezwaarar- beidsdeskundige W.P.J.G. Wiertz berekende immers dat ook met inachtneming van deze urenbeperking de arbeidsongeschiktheidsklasse niet zou wijzigen. Tijdens de procedure bij de rechtbank is gebleken dat appellante in verband met genoemde aanhoudende rugklachten een wervelbiopsie zou moeten ondergaan. In verband daarmee is appellante met ingang van 1 mei 2002 door gedaagde toegenomen arbeidsongeschikt geacht. De uitkering ingevolge de WAZ is met ingang van 29 mei 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ter terechtzitting van de Raad is door gedaagdes gemachtigde medegedeeld dat appellante sedert 29 mei 2002 ongewijzigd uitkering ingevolge de WAZ ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat niet aannemelijk is dat de gezondheidstoestand van appellante op 24 januari 2002 onjuist is beoordeeld, aangezien de behandelend orthopedisch chirurg S.E. Brand volgens een journaaluitdraai van de huisarts in augustus 2002 heeft vastgesteld dat de rugklachten toen vier maanden bestonden. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante een verklaring van de huisarts, een verklaring van de reumatoloog dr. M.J.A.M. Franssen en twee verklaringen van de medisch adviseur van appellantes gemachtigde, prof. dr. A. Zwaveling overgelegd. Met verwijzing naar de inhoud van die verklaringen stelt appellante zich op het standpunt dat zij reeds op 24 januari 2002 meer beperkt was dan waarvan gedaagde is uitgegaan. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts K.L. Tetelepta-Tan neemt in reactie op de verklaring van Zwaveling van 4 mei 2004 het standpunt in dat er geen relevante nieuwe medische feiten zijn aangetoond met betrekking tot 24 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.