03/4612 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV, op daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 juli 2003, nr. 02/436 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is gereageerd door mr. Koekkoek, voornoemd. Bij brief van 19 maart 2004 heeft gedaagde een nadere arbeidskundige rapportage in het geding gebracht. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde vervolgens bij brief van 26 oktober 2005 enige stukken overgelegd en bij brief van 29 november 2005 een nadere toelichting gegeven. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 januari 2006, waar namens appellant is verschenen mr. Koekkoek, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Appellant is werkzaam geweest als betonreparateur. Nadat hij deze werkzaamheden op 22 augustus 1991 wegens knieklachten had gestaakt heeft gedaagde met ingang van 20 augustus 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) aan appellant toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is vervolgens met ingang van 1 februari 1993 herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Met ingang van 8 juli 1996 is appellant gaan werken als beveiligingsbeambte bij de Nederlandse Veiligheidsdienst, gevestigd te Rijswijk. In verband met de inkomsten van appellant uit deze werkzaamheden heeft gedaagde, onder toepassing van artikel 44 van de WAO, besloten om vanaf 8 juli 1996 de WAO-uitkering van appellant niet uit te betalen. Op 10 juni 1997 heeft appellant deze werkzaamheden gestaakt in verband met hartklachten. Na een hartoperatie in oktober 1997 is appellant in maart 1998 weer gaan werken als beveiligingsbeambte, zij het voor minder uren per week dan voordien. Gedaagde heeft bij besluit van 22 september 1998 de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 9 juni 1998 herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tevens is daarbij besloten dat de WAO-uitkering, gelet op de inkomsten uit arbeid van appellant, onder toepassing van artikel 44 van de WAO, vanaf 9 juni 1998 zal worden uitbetaald als ware appellant 35 tot 45% arbeidsongeschikt. Nadien is de WAO-uitkering van appellant vanaf 30 november 1998 uitbetaald als ware hij voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt en vanaf 16 mei 1999 tot en met 25 december 1999 als ware hij voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt. Bij besluit van 22 mei 2001 heeft gedaagde de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 27 december 1999 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van die datum minder dan 15% bedraagt. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag, volgens welke bij appellant sprake is van beperkingen in verband met knieklachten, rugklachten en cardiale klachten. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen onvoldoende functies voor appellant zijn te duiden. De door appellant vanaf juli 1996 – met een onderbreking – vervulde functie van beveiligingsmedewerker, welke functie hij vanaf 17 mei 1999 in vaste dienst vervult, is door de arbeidsdeskundige als passend aangemerkt voor appellant. Gelet op de feitelijke verdiensten van appellant in deze functie is volgens de arbeidsdeskundige sprake van een mate van arbeidsongeschiktheid van ongeveer 10%. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 30 mei 2001 de vanaf 27 december 1999 onverschuldigd aan appellant betaalde WAO-uitkering tot een bedrag van f 6.664,98 van appellant teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 17 april 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde, onder verwijzing naar een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige, de door appellant aangevoerde bezwaren tegen de besluiten van 22 mei en 30 mei 2001 ongegrond verklaard. Namens appellant is in beroep aangevoerd dat de functie van beveiligingsmedewerker op 27 december 1999 nog niet duurzaam passend was en dat de toepassing van artikel 44 van de WAO voortgezet had moeten worden. Voorts is aangevoerd dat bij de verdiensten van appellant ten onrechte rekening wordt gehouden met de reiskostenvergoeding en de onregelmatigheidstoeslag, nu in het maatmaninkomen geen soortgelijke vergoedingen zijn opgenomen. Ten slotte heeft de gemachtigde van appellant erop gewezen dat appellant zijn inkomsten steeds heeft gemeld, zodat er aanleiding is de terugvordering te beperken tot het netto onverschuldigd betaalde bedrag. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat gedaagde appellant vanaf eind december 1999 terecht duurzaam geschikt heeft geacht voor het werk als beveiligingsmedewerker, nu appellant dit werk vanaf medio 1998 in een gestabiliseerde medische situatie zonder opvallende problemen heeft verricht. Voorts is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat gedaagde bij de feitelijke verdiensten van appellant terecht de onregelmatigheidstoeslag en de reiskostenvergoeding heeft betrokken en dat geen aanleiding bestaat de berekening van het maatmaninkomen voor onjuist te houden. Ten aanzien van de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat de bruto-terugvordering, gelet op vaste rechtspraak van de Raad, in dit geval gerechtvaardigd is en dat geen aanleiding bestaat gedaagde niet meer gerechtigd te achten tot terugvordering. Namens appellant is in hoger beroep wederom aangevoerd dat bij de feitelijke verdiensten ten onrechte rekening wordt gehouden met de reiskostenvergoeding en de onregelmatigheidstoeslag. Verder is aangegeven dat het maatmaninkomen onjuist is berekend en dat een berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid over een aantal specifieke periodes in 2000 leidt tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan 15%. Ten slotte is wederom aangevoerd dat ten onrechte de bruto onverschuldigd betaalde WAO-uitkering wordt teruggevorderd, waarbij tevens een beroep is gedaan op de uitspraak van de Raad van 27 november 2002, RSV 03/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.