04/2319 AAW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij schrijven van 19 november 2002 heeft de gemachtigde van gedaagde, C.R. van Mourik, werkzaam bij ZR Belastingadviseurs te ’s-Hertogenbosch, beroep ingesteld tegen de door hem aangeduide ”fictieve weigering van appellant tot het afgeven van een terugvorderingsbesluit”. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 18 maart 2004, nr. 02/3396 AAW, het beroep gegrond verklaard, bepaald dat appellant binnen vier weken een primair besluit diende af te geven inzake terugvordering en verrekening, met een dwangsom-bepaling indien appellant in gebreke zou blijven dit besluit af te geven en bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. Appellant heeft tegen die uitspraak op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld. Namens gedaagde heeft Van Mourik, voormeld, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 februari 2006, waar namens appellant is verschenen mr. I.P.H.M. van Lieshout, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde en zijn gemachtigde, met bericht van verhindering, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Gedaagde is werkzaam geweest als zelfstandig kapper en heeft dit werk grotendeels gestaakt vanwege klachten aan de luchtwegen. Met ingang van 31 juli 1985 is aan hem een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 19 september 1997 heeft appellant de AAW-uitkering van gedaagde met ingang van 1 september 1992 herzien naar een mate van arbeids- ongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 26 februari 1998 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 19 september 1997 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde per 1 september 1992 vastgesteld op 80 tot 100%. Tevens heeft appellant daarbij besloten dat de AAW-uitkering onder toepassing van het bepaalde in artikel 34 van de AAW met ingang van 1 september 1992 slechts gedeeltelijk werd uitbetaald in verband met inkomsten uit arbeid. Met ingang van 1 augustus 1993 heeft het Uwv toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 33 van de AAW, met als gevolg dat de AAW-uitkering werd uitbetaald als ware gedaagde 65 tot 80% arbeidsongeschikt. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 21 oktober 1998 het beroep van gedaagde tegen dit besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de toepassing van artikel 33 van de AAW. Bij uitspraak van 15 januari 2002, voor zover in dit geding relevant, heeft de Raad voormelde uitspraak van de rechtbank vernietigd en het inleidend beroep tegen het besluit van 26 februari 1998 ongegrond verklaard. Met betrekking tot hetgeen gedaagde had aangevoerd inzake de terugvordering en verrekening van de uitkering over de periode van 1 september 1992 tot 1 augustus 1993 heeft de Raad vastgesteld dat het besluit van 26 februari 1998 hier niet op zag, zodat die grief niet aan de orde kwam. De Raad heeft daaraan het volgende toegevoegd: “Voor dit geding ten overvloede overweegt de Raad wel dat het Uwv niet vrijstaat te verrekenen zonder dat daarover een besluit wordt afgegeven. Nu dit kennelijk nog niet heeft plaatsgevonden, dient dit alsnog te gebeuren, zodat betrokkene met betrekking tot dit punt de toegang tot de rechter niet wordt onthouden” Inmiddels was gedaagde door appellant bij besluit van 27 december 2000 als ongewijzigd 35 tot 45% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen aangemerkt, waartegen gedaagde bezwaar heeft ingesteld. Bij brief van 3 september 2002 heeft de gemachtigde van gedaagde zich vervolgens tot appellant gewend met het navolgende: “Wij hebben onlangs contact gehad in het kader van de nog lopende bezwaarschriften en U verzocht de mogelijkheid te bezien of een mondelinge bespreking terzake van deze bezwaarschriften zou kunnen bijdragen tot een versnelde afhandeling van de aanwezige problematieken. Tot op heden mochten wij nog niets vernemen. Kunt U aangeven hoe de stand van zaken is?” Daarna heeft diezelfde gemachtigde op 22 oktober 2002 een brief met de volgende inhoud aan appellant verzonden: “Op 3 september jl. verzochten wij U ons mede te delen hoe de stand van zaken is in bovengenoemde bezwaarschriften. Tot op heden mochten wij niets van U vernemen. Mede gezien het feit dat de bezwaarschriften reeds lang lopen en alle door de wet toegestane termijn geruime tijd zijn verstreken, hadden wij een wat voortvarender aanpak verwacht. Nadrukkelijk doen wij in deze procedure een beroep op de mogelijkheid van een hoorzitting. Mochten wij voor 30 oktober a.s. niets van U hebben vernomen, gaan wij ervan uit dat hier sprake is van een zogenaamde fictieve weigering en zal beroep worden ingesteld tegen het niet afgeven van beslissingen.” Bij schrijven van 19 november 2002 is vervolgens door die gemachtigde beroep ingesteld tegen de fictieve weigering van appellant tot het afgeven van een terugvorderings- respectievelijk verrekeningsbesluit. De rechtbank heeft dit beroep op grond van de volgende overwegingen gegrond verklaard: “De rechtbank stelt allereerst vast dat het volgens genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep nog door verweerder te nemen terugvorderings- of verrekeningsbesluit binnen een redelijke termijn na 29 januari 2002 (de datum van verzending van genoemde uitspraak) had moeten worden bekend gemaakt. Naar analogie van artikel 4.13 van de Awb was die termijn naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval acht weken na 29 januari 2002 verstreken. De hierboven weergegeven brief van eisers gemachtigde d.d. 3 september 2002 dient naar het oordeel van de rechtbank (mede) te worden opgevat als een bezwaarschrift tegen het uitblijven van een primair terugvorderings- of verrekeningsbesluit over de periode van 1 september 1992 tot 1 januari 1993 en de periode van 1 januari 1993 tot 1 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.