04/5890 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 oktober 2004, reg.nr. 03/961 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar appellant met bericht niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door K.J. Hoiting, werkzaam bij de gemeente Delfzijl. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellant en zijn echtgenote, die beiden de Kaapverdische nationaliteit hebben, verblijven al jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland. Appellant ontvangt sinds 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant en zijn echtgenote hebben vier kinderen, van wie er drie de Nederlandse nationaliteit hebben. Bij besluit van 30 augustus 2001 heeft gedaagde de aanvraag van appellant en zijn echtgenote van 30 mei 2001 om bijzondere bijstand voor woonkosten op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) afgewezen. Bij besluit van 26 augustus 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2001 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2003 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad stelt allereerst vast dat appellant en zijn echtgenote op grond van het in de aangevallen uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels ten tijde hier van belang geen recht konden doen gelden op bijstand ingevolge de Abw. Zij konden immers niet met een Nederlander gelijk worden gesteld op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw, aangezien zij geen vreemdelingen waren in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en zij konden ook niet op grond van artikel 7, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK met een Nederlander worden gelijkgesteld. Voorts moet worden vastgesteld dat bijstandsverlening aan appellant en zijn echtgenote op grond van zeer dringende redenen in de zin van artikel 11, eerste lid, van de Abw niet mogelijk is, omdat ingevolge het tweede lid van dat artikel het eerste lid niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw. Ter beoordeling staat vervolgens nog de vraag of de afwijzing van de aanvraag in strijd is met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De Raad verwijst in dit verband naar zijn ook door de rechtbank genoemde uitspraken van 26 juni 2001 (LJN AB2276 en AB2324). In die uitspraken heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 IVBPR onder meer tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt van die wet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad in het algemeen niet op bedenkingen stuit en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen genoemd in artikel 8, aanhef en onder f, g en h, van de Vw
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.