03/2977 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze zaak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 19 juni 2001 heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen zijn besluit van 28 april 2000, waarbij hij heeft geweigerd aan gedaagde per 18 april 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij per die datum, geschikt voor gangbaar werk, minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij uitspraak van 28 april 2003, zoals wat de griffierechtvergoeding en de proceskostenveroordeling betreft gewijzigd bij nadere uitspraak van 6 mei 2003, heeft de rechtbank Breda het beroep van gedaagde tegen het besluit van 19 juni 2001 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) gelast aan gedaagde het door haar betaalde griffierecht (€ 27,23) te vergoeden en appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde (€ 644,36), door het Uwv te betalen aan de griffier. Tegen die uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Nader en ook desgevraagd heeft appellant stukken ingebracht. Als door de Raad benoemde deskundige heeft de reumatoloog W. Hissink Muller rapport (met bijlagen) van een door hem op 21 september 2005 ingesteld onderzoek uitgebracht, op welk rapport door appellant bij brief van 1 december 2005 (met bijlagen) is gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2006. Appellant was vertegenwoordigd door mr. I.M. de Groot, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.E. Kranenburg, advocaat te Bergen op Zoom. II. MOTIVERING Gedaagde is op 19 april 1999 met gewrichts- en spierklachten uitgevallen voor haar werk als interieurverzorgster gedurende gemiddeld 14,3 uur per week bij 2 verschillende werkgevers. De haar behandelende reumatoloog P.E.H. Seys heeft op 7 juni 1999 de diagnose fibromyalgie gesteld en haar verwezen naar een Cesartherapeute, wier behandelingen haar evenwel niet hebben geholpen. De primaire verzekeringsarts heeft haar op 18 januari 2000 onderzocht, vastgesteld dat zij alleen is aangewezen op fysiek niet al te zwaar werk zonder dwingend werktempo en een belastbaarheidspatroon opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige haar 4 functies voorgehouden die zij zou kunnen vervullen zonder dat haar belastbaarheid wordt overschreden en die leiden tot een theoretisch verlies aan verdiencapaciteit van 2,4%. Bij het primaire besluit is dan ook geweigerd aan haar een WAO-uitkering toe te kennen. Nadat de bezwaarverzekeringsarts was gekomen tot de conclusie dat gedaagde medisch niet meer is beperkt dan is vastgelegd in het belastbaarheidspatroon, is bij het thans bestreden besluit het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard. In de beroepsfase heeft de rechtbank als deskundige ingeschakeld de reumatoloog F.M.A. Slaats. Deze heeft in een rapport van 8 mei 2002 aangegeven dat en waarom gedaagde medisch zozeer meer is beperkt dan is vastgelegd in het op 18 januari 2000 vastgestelde belastbaarheidspatroon dat zij niet in staat kan worden geacht tot vervulling van enige van de aan haar voorgehouden functies. Commentaar van de kant van appellant heeft de deskundige geen aanleiding gegeven tot bijstelling van zijn standpunt, waarna de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de deskundige heeft gevolgd, van oordeel dat diens standpunt op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat niet vast staat dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is en dat bijgevolg evenmin vast staat dat de arbeidskundige grondslag van dat besluit voldoende deugdelijk is. In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 17 juni 2003, aangevuld bij rapport van 31 januari 2005 en (desgevraagd) bij rapport van 8 augustus 2005, naar voren gebracht dat en waarom naar zijn mening de rechtbank het door de reumatoloog Slaats als deskundige ingenomen standpunt ten onrechte tot het hare heeft gemaakt. De Raad overweegt als volgt. In ’s Raads jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige volgt, tenzij sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op deze regel. Naar het oordeel van de Raad doen zodanige omstandigheden zich in dit geval wel voor wat de door de rechtbank in beroep ingeschakelde medische deskundige betreft, maar niet voor wat de door hemzelf in hoger beroep ingeschakelde medische deskundige betreft. De Raad heeft op 2 september 2005 in het geheel van de tot dan voorhanden medische gegevens aanleiding gezien de reumatoloog W. Hissink Muller als deskundige in te schakelen. Daarbij heeft met name een rol gespeeld dat de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde reumatoloog Slaats bij zijn onderzoek op 27 april 2002 heeft geconstateerd dat er sprake is van psychische beperkingen (een terrein waarop hij niet bij uitstek deskundig kan worden geacht), dat Slaats conclusies heeft verbonden aan het zijn van fibromyalgie-patiënt meer in het algemeen en dat Slaats zijn bevindingen onvoldoende gemotiveerd heeft geëxtrapoleerd. Hissink Muller heeft op 4 november 2005 rapport van zijn bevindingen, mede op basis van eigen onderzoek van gedaagde en van de haar behandelend reumatoloog P.B.J. de Sonnaville via haar huisarts verkregen aanvullende gegevens, uitgebracht. Appellant heeft daarop nog commentaar geleverd onder verwijzing naar rapporten van 21 november 2005 van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. Hissink Muller heeft tevens kennis genomen van de bevindingen van de rechtbankdeskundige Slaats en verklaard zich als medicus te kunnen verenigen met het op 18 januari 2000 opgestelde en op de datum in geding (18 april 2000) betrekking hebbende belastbaarheidspatroon. De Raad heeft in hetgeen gedaagde heeft aangevoerd en overigens uit de gedingstukken naar voren is gekomen geen aanknopingspunten kunnen vinden die een beletsel vormen om zich bij de conclusie van Hissink Muller aan te sluiten. Wat de medische kant van de zaak betreft berust het bestreden besluit dan ook op een toereikende grondslag. Afgaande op zijn daarbij alsook bij de 4 door de arbeidsdeskundige eerder aan gedaagde voorgehouden functies gemaakte kanttekeningen, acht deze deskundige voor gedaagde geschikt de functies van assemblagemedewerker (functiebestandscode 8463) met alle 7 arbeidsplaatsen, melkgift/monsternemer
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.