E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/354 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], appellante, wonende te [woonplaats], en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. M.A. Wellen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 december 2004, reg.nr. 04/820 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is, gevoegd met het geding 04/7290 NABW, behandeld ter zitting van 28 februari 2006, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wellen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.L. de Haart, werkzaam bij de gemeente Arnhem. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst en is in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante ontving van gedaagde sinds 27 juni 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante zou samenwonen met [naam partner] (hierna: [naam partner]), is door de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Inwonerszaken van de gemeente Arnhem een onderzoek ingesteld, waarvan op 16 juni 2003 een rapport is opgemaakt. Op grond van de bevindingen van dit rapport heeft gedaagde geconcludeerd dat appellante en [naam partner] in ieder geval vanaf 13 februari 2002 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Bij besluit van 2 september 2003 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2003 beëindigd op de grond dat zij met [naam partner] een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Abw. Bij besluit van 18 maart 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2003 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 8 april 2004 het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 februari 2002 tot 1 mei 2003 herzien en de over de periode van 13 februari 2002 tot 1 mei 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.551,72 van haar teruggevorderd. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 oktober 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 april 2005, reg.nr. 04/2874 NABW, heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voorzover daarbij het recht op bijstand van appellant is ingetrokken over de periode van 1 februari 2002 tot en met 12 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.