04/812 WAO + 04/813 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant] , wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2003, nummers 02/510 + 2260 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 februari 2006, waar appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. De Raad heeft op 22 juli 1998 onder nummer 96/10311 AAW/WAO tussen partijen een uitspraak gewezen, waaraan het volgende wordt ontleend. "Appellant had vanaf 4 maart 1991 bij werkgever [naam werkgever] te [vestigingsplaats] gewerkt toen hij op 17 juni 1992 arbeidsongeschikt werd in verband met een ziekenhuisopname, die tot 2 juli 1992 duurde. Hij bleef voor de Ziektewet in controle tot 13 augustus 1992, toen hij toestemming kreeg om naar Marokko te gaan tot 14 september 1992, op welk tijdstip hij weer bij de verzekeringsgeneeskundige moest verschijnen. Hij keerde echter niet terug, doch meldde zich op 7 september 1992 bij de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS). Bij het onderhavige besluit (van 25 september 1995) heeft gedaagde geoordeeld dat appellant op 10 september 1992 niet arbeidsongeschikt was en dat hij vanaf 17 juni 1992 geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, alsmede dat hem in verband met dit laatste geen uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toekomen. In geding is de vraag of dit besluit op goede gronden berust. Deze vraag beantwoordt de Raad, met de rechtbank, bevestigend. De op 17 juni 1992 aangevangen arbeidsongeschiktheid van appellant hield verband met een ziekenhuisopname ter observatie wegens buikklachten, welke ziekenhuisopname eindigde zonder dat objectieve afwijkingen werden gevonden. Met name deze buikklachten vermeldde appellant eveneens tegenover de internist K.H. Teng, de psychiater B. Hoek en de neuroloog dr Ph. Scheltens toen deze hem in augustus 1994 onderzochten. De internist Teng achtte in verband met de buikklachten echter geen organische afwijkingen en geen beperkingen aanwezig, terwijl de beide andere deskundigen op hun vakgebied evenmin afwijkingen vaststelden. Mede gelet op het feit dat in de tussenliggende periode uit de rapporten van de CNSS een zelfde klachtenpatroon naar voren komt als voordien bestaand en nadien tegenover de genoemde drie deskundigen geuit, acht de Raad onaannemelijk dat er na het ontslag uit het ziekenhuis op 2 juli 1992 van een 52 weken onafgebroken geduurd hebbende arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek sprake is geweest. De opmerking van de psychiater Hoek dat er mogelijk een periode is geweest van reactief depressieve aard acht de Raad in dit verband onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, mede gelet op het feit dat in de rapporten van de CNSS, die de periode van september 1992 tot juni 1994 bestrijken, dergelijke klachten niet worden vermeld." Op 24 november 1998 heeft appellant via de CNSS gedaagde verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, omdat hij arbeidsongeschikt is – zo heeft de voormalig gemachtigde van appellant gedaagde desgevraagd medegedeeld – sedert 1 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.