04/2799 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 april 2004, 2003/492 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), Datum uitspraak: 19 april 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend. Haar gemachtigde, mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht, heeft bij brief van 20 januari 2006 in overweging gegeven de zaak buiten zitting af te doen. Vervolgens hebben partijen desgevraagd toestemming gegeven voor afdoening buiten zitting. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Betrokkene is werkzaam geweest als schoonmaakster voor 10 uur per week en is op 27 januari 1998 voor deze werkzaamheden uitgevallen als gevolg van klachten aan de linkervoet. Na het verstrijken van de toenmalige wachttijd van 52 weken is geweigerd om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, op de grond dat betrokkene weer geschikt was voor haar arbeid. Naar aanleiding van een ziekmelding per 28 december 2000 is aan betrokkene met ingang van 25 januari 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 7 januari 2002 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 24 december 2001 ingetrokken, op de grond dat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 27 februari 2003 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Wat betreft de medische kant van de voorliggende arbeidsongeschiktheids- beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat er onvold oende reden is om de vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. Met betrekking tot de arbeidskundige kant heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 juni 1998, gepubliceerd in USZ 1998/234 - overwogen dat de functies van kassier (fb-code 3316) en de functie van consultatiebureau-assistente (functienummer 9381-0178-001 binnen fb-code 5429) niet aan betrokkene kunnen worden voorgehouden. Hierbij heeft de rechtbank erop gewezen dat deze functies in wisseldienst worden verricht, dat er in de loonwaarde van deze functies derhalve een toeslag is begrepen voor het werken op afwijkende arbeidstijden en dat niet is gebleken dat in het maatmaninkomen van betrokkene ook een dergelijke toeslag is opgenomen. Volgens de rechtbank blijven er slechts twee passende functies over, hetgeen te weinig is om een schatting op te kunnen baseren. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de geselecteerde functies die in wisselende dienst worden verricht. Appellant heeft zich hierbij op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat de desbetreffende functies wel aan betrokkene kunnen worden voorgehouden. De Raad overweegt als volgt. In de eerste plaats stelt de Raad vast dat alleen appellant in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak en dat dit hoger beroep zich uitsluitend richt tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de arbeidskundige kant van de voorliggende schatting. Dit brengt mee dat de medische component van het bestreden besluit niet meer in geschil is. Ter ondersteuning van het hoger beroep heeft appellant een rapport ingebracht van de bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot van 11 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.