04/957 WVG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 januari 2004, 02/2028 WVG (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College) Datum uitspraak: 3 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Buscop, werkzaam bij de gemeente Roosendaal. II. OVERWEGINGEN Appellante woont in een haar in eigendom toebehorende woonwagen. Voor de sanitaire voorzieningen dient appellante gebruik te maken van een buiten haar woonwagen gelegen berging waarin onder meer een toilet en een douche aanwezig zijn. In verband met haar lichamelijke beperkingen, als gevolg waarvan appellante stelt niet in staat te zijn gebruik te kunnen maken van de in die berging gelegen voorzieningen, heeft appellante in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) op 11 maart 2002 bij het College een aanvraag om een woningaanpassing in de vorm van inpandig sanitair ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft L.M.E. Jozefzoon, arts bij GGD West-Brabant, op 13 mei 2002 desgevraagd aan het College een medisch advies uitgebracht. In dit advies is geconcludeerd dat er geen medische indicatie is voor woningaanpassing in de vorm van inpandig sanitair. Vervolgens heeft het College bij besluit van 27 mei 2002 het verzoek van appellante afgewezen. Bij besluit van 30 september 2002 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2002 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 30 september 2002 beroep ingesteld. Hangende dit beroep heeft het College de rechtbank een nader medisch advies van 18 maart 2003 van I.D. Flameling, sociaal geneeskundige bij GGD West-Brabant, doen toekomen. De rechtbank heeft in de gedingstukken en in het verhandelde ter zitting aanleiding gezien om H.G. Bosman, longarts bij het Albert Schweitzerziekenhuis te Dordrecht, als deskundige te benoemen. Op 20 augustus 2003 heeft H.G. Bosman een medisch advies uitgebracht. Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hierop te reageren en toestemming is verleend om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 30 september 2002 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorgdraagt voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Wvg is bepaald bij verordening daartoe regels dient vast te stellen. Ter uitvoering van die bepaling heeft de raad van de gemeente Roosendaal de Verordening Voorzieningen Gehandicapten (hierna: Verordening) vastgesteld. Artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken voorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van onder meer;
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.