E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/1736 NABW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 25 oktober 2005 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen het uitblijven van een door de rechtbank Groningen onder reg. nr. 04/191 te wijzen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan. Tegen deze uitspraak is opposant in verzet gekomen. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20 december 2005, waar partijen - geopposeerde met bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De uitspraak van de Raad van 25 oktober 2005 steunt hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de laatstelijk door de griffier bij aangetekende brief van 30 augustus 2005 gestelde termijn is betaald, en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om die vraag ontkennend te beantwoorden. De Raad merkt op dat de verschuldigdheid van het griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep voortvloeit uit het bepaalde in artikel 22 van de Beroepswet. Op de verschuldigdheid van het griffierecht is opposant gewezen bij brieven van 9 augustus 2005 en 30 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.