05/2315 WW 05/2316 WW 05/2317 TW 05/2318 TW Centrale Raad van Beroep U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de Raad van 2 november 2005, gedaan onder bovenvermelde nummers, in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). Datum uitspraak: 31 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 2 november 2005 heeft de Raad het door appellant ingestelde verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 maart 2005, nrs. 03/6479 WW, 03/6483 WW, 03/6484 WW en 04/254 TW, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 2 november 2005 heeft appellant verzet gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006, waar partijen – gedaagde met bericht – niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 2 november 2005 berust hierop, dat de bij het instellen van het verzoek om herziening verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de laatstelijk door de griffier bij aangetekende brief van 14 juni 2005 gestelde termijn is betaald, en dat op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. In geding is de vraag of het verzoek om herziening van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De verschuldigdheid van het griffierecht voor de behandeling van het verzoek om herziening vloeit voort uit het bepaalde in artikel 22 van de Beroepswet. Op de verschuldigdheid van het griffierecht is appellant gewezen bij brief van 14 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.