05/2903 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2005, 04/1737 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) aan het geding in hoger beroep heeft als partij deelgenomen het Dagelijks bestuur van het Stadsdeel De Baarsjes (hierna: de werkgever). Datum uitspraak: 23 augustus 2006. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De werkgever heeft een uiteenzetting gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv en de werkgever hebben zich niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2. Voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende. 2.1. Appellant heeft in de periode van 6 januari 2003 tot en met 31 juli 2003 op basis van een aanstelling voor bepaalde tijd werkzaamheden voor de werkgever verricht onder het gezag van het Bureau Inzet onderwijspersoneel Amsterdam. 2.2. In verband met nadien ingetreden werkloosheid heeft appellant bij het Uwv een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Deze uitkering is hem geweigerd bij besluit van 28 oktober 2003. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 31 maart 2004. Hierbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW. Ingevolge deze bepaling dient de werknemer te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat de tussen appellant en het Bureau Inzet ontstane meningsverschillen over de hem door het Bureau Inzet geboden begeleiding, met name de begeleiding door de hem ter begeleiding toegewezen onderwijsconsulente M. [D.], in zodanige mate aan appellant vallen toe te rekenen en te wijten, dat het niet-verlengen van de aanstelling in beslissende mate door appellants eigen verwijtbaar gedrag is veroorzaakt. 3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 4. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. 4.1. In hoger beroep heeft appellant in de kern dezelfde bezwaren tegen het bestreden besluit naar voren gebracht als hij in eerste aanleg heeft gedaan. 4.2. Met betrekking tot de bezwaren van appellant tegen het bestreden besluit is door de rechtbank het volgende overwogen. Daarbij is appellant als eiser en het Uwv als verweerder aangeduid. “Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de werkgever in een brief van 11 juni 2003 aan eiser onder meer het volgende heeft medegedeeld: "Samengevat loopt uw aanstelling bij bureau Inzet op l augustus 2003 van rechtswege af, tenzij er nog een beoordeling plaatsvindt waaruit blijkt dat uw functioneren voldoende is en u de ondersteuning van de onderwijsconsulenten accepteert. In dat geval zal op l augustus 2003 uw tijdelijke aanstelling worden verlengd tot l januari 2004." Gelet hierop alsmede op de omstandigheid dat eiser op 17 juni 2003 een positieve beoordeling heeft gekregen, is de rechtbank van oordeel dat kan worden geconcludeerd dat de verlenging van het tijdelijke dienstverband van eiser uitsluitend afhankelijk was van zijn opstelling ten opzichte van de onderwijsconsulent(en). Voorts is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat eiser in zijn brief van 15 juni 2003, genaamd "Vertrouwensbreuk" op een niet mis te verstane wijze zijn mening heeft geuit over de (ondersteuning van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.