02/6532 WAZ en 04/6695 WAZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 december 2002, 00/2187 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 28 juli 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vervolgens op 18 maart 2003 een nader besluit op bezwaar genomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2005 en 16 juni 2006. Op 22 juli 2005 is voor appellant verschenen J.M.M. Hocks en was het Uwv niet vertegenwoordigd. Op 16 juni 2006 is appellant niet verschenen en was het Uwv vertegenwoordigd door A. Ooms. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 23 juli 1999 is aan appellant per 1 juni 1999 een WAZ-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Bij besluit van 20 oktober 2000 is appellants bezwaar tegen het besluit van 23 juli 1999 in zoverre gegrond verklaard dat per 1 juni 1999 de mate van arbeidsongeschiktheid nader is gesteld op 35-45%. Bij de aangevallen uitspraak is - voorzover thans van belang - appellants beroep tegen evenvermeld besluit op bezwaar gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe is de rechtbank overgegaan vanwege het ontbreken van enige medische motivering met betrekking tot het in of na overleg met de bezwaararbeidsdeskundige akkoord gaan door de bezwaarverzekeringsarts met de overschrijdingen van appellants belastlastbaarheid bij alle aan appellant voorgehouden functies en derhalve het ontbreken van een toereikende grondslag voor de onderhavige schatting. In verband met het eerst ter zitting en dus te laat overleggen van een afdoende motivering heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand blijven. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 1 juni 1999 minimaal 65-80% bedraagt. Bij nader besluit van 18 maart 2003 heeft het Uwv op grond van nadere medische en arbeidskundige gegevens appellant alsnog per 1 juni 1999 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%. Het maatmaninkomen is gelijk gebleven (f 26,32 bruto per uur), doch als gevolg van de vervanging van twee van de drie functies welke aan de theoretische schatting bij het besluit op bezwaar van 20 oktober 2000 ten grondslag waren gelegd, is de mediane resterende verdiencapaciteit vooral onder invloed van een lagere reductiefactor (0,53 in plaats van 0,97) gezakt van f 16,81 naar f 8,67 bruto per uur en is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid 67,1% gaan bedragen. In reactie op dit nadere besluit heeft appellant aangevoerd dat het per 1 juni 1999 op basis van het inkomen over 1997 en 1.976 gewerkte uren per jaar te hanteren maatmaninkomen (inclusief 8% vakantieuitkering en 129,3/122 inflatiecorrectie) f 42,69 bruto per uur dient te bedragen en dat van een mediane resterende verdiencapaciteit van circa f 7,18 (f 14,35 met een reductiefactor van 0,50) bruto per uur dient te worden uitgegaan, zodat per 1 juni 1999 de mate van zijn arbeidsongeschiktheid 83,18% bedraagt en alsnog indeling in de klasse 80% of meer dient te volgen. De Raad overweegt als volgt. Aangezien bij het nadere besluit van 18 maart 2003 niet geheel tegemoet gekomen is aan het door appellant ingestelde hoger beroep, moet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, dat hoger beroep worden geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit en zal de Raad thans tevens een oordeel over dat nieuwe besluit geven. Bij vernietiging van de aangevallen uitspraak heeft appellant geen rechtens te beschermen belang meer. Appellant heeft terecht gesteld dat de beslissing op bezwaar niet binnen de hiervoor gestelde termijn is genomen. Nu niet gesteld of gebleken is dat appellant hierdoor schade heeft geleden, behoeft deze grief geen verdere bespreking. De door appellant in hoger beroep ingebrachte grieven kunnen en zullen aan de orde komen bij de beoordeling van dat nieuwe besluit en de door appellant gevorderde, uit de wettelijke rente over de ingevolge het nieuwe besluit na te betalen WAZ-uitkeringsbedragen bestaande schade is zoals te doen gebruikelijk aan hem vergoed. In het hoger beroep zal appellant dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat het door appellant betaalde griffierecht aan hem dient te worden vergoed. Voor een proceskostenveroordeling van het Uwv wat de reis- en verletkosten van appellants gemachtigde op 22 juli 2005 betreft is geen plaats, daar het bij appellants gemachtigde niet gaat om beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak is overgegaan tot een proceskostenveroordeling van het Uwv maakt dat niet anders; het Uwv is tegen die uitspraak niet in hoger beroep opgekomen, terwijl appellant weliswaar tegen die uitspraak in hoger beroep is opgekomen, doch niet op dit punt. Wat de medische kant van de zaak betreft heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de medische beoordeling vanwege het Uwv op zichzelf weliswaar zorgvuldig is geschied, maar dat hij per 1 juni 1999 niet voltijds, doch ten hoogste viereneenhalf uur per dag kon werken. Aangezien appellant dit standpunt niet met medische gegevens heeft onderbouwd en op basis van de voorhanden gedingstukken niet de conclusie kan worden getrokken dat het Uwv ten onrechte dan wel niet op goede gronden heeft geweigerd te komen tot enige urenbeperking, kan de Raad - evenzeer als de rechtbank - appellant daarin niet volgen. Wat het aspect ”zitten” betreft is er naderhand met pen of potlood een verandering aangebracht in het door de bezwaarverzekeringsarts E.V. van Hal - Dik op 13 december 1999 vastgestelde belastbaarheidspatroon; van een kwartier
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.