04/6297 AKW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 oktober 2004, 03/860 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) Datum uitspraak: 11 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. SVB heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Volbeda. SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank en door drs. J. Bierstekers, medisch adviseur van SVB. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is besloten het onderzoek ter zitting te schorsen teneinde SVB in de gelegenheid te stellen nadere informatie te overleggen. SVB heeft vervolgens nadere stukken aan de Raad gezonden. Het onderzoek ter zitting is hervat op 13 september 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Volbeda. SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.C.M. van Engelenhoven en mr. M.F. Sturmans, beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank en door drs. J. Bierstekers. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Bij aanvraag van 6 februari 2002 heeft appellante verzocht om een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (hierna: TOG 2000) voor haar zoon Dennis (geboren op 13 mei 1995). Bij Dennis is sprake van een milde encephalopathie, psychomotore retardatie, een visusstoornis, een leerstoornis en een relatieprobleem. SVB heeft deze aanvraag - met ingang van het eerste kwartaal van 2001 - bij besluit van 8 juli 2002 afgewezen. Bij besluit van 21 februari 2003 heeft SVB het bezwaar van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat Dennis weliswaar iets meer hulp in de vorm van aansturing en structuur nodig heeft bij de zelfverzorging en dat er ook iets meer toezicht nodig is, maar dat hij niet aanzienlijk meer afhankelijk is van verzorging of oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft - kort gezegd - overwogen dat Dennis op allerlei vlak iets meer begeleiding nodig heeft dan een gezond kind van zeven jaar, maar dat niet is voldaan aan het vereist dat sprake is van een aanmerkelijk grotere zorgafhankelijkheid. Voortdurend toezicht is niet nodig. Het door appellante gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank afgewezen, omdat door SVB onderbouwd is aangegeven dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch advies dat ten grondslag ligt aan het besluit van 21 februari 2003 geen goed beeld schetst van Dennis. Hij is aanzienlijk meer afhankelijk van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van dezelfde leeftijd. Voorts heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat de ouders van twee klasgenootjes van Dennis, die in vergelijkbare omstandigheden als Dennis verkeren, wel een vergoeding op grond van de TOG 2000 hebben ontvangen. De Raad komt tot de volgende beoordeling. In artikel 2 van de TOG 2000 is bepaald dat als kind wordt aangemerkt een persoon tussen de 3 en 18 jaar, die ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor hij blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is. In artikel 3 van de TOG 2000 is - kort gezegd - bepaald dat als (voorlopig) blijvend gehandicapt wordt aangemerkt het kind dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.