03/3233 + 06/561 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (Turkije) (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2003, 01/4220 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 13 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 18 oktober 2005 een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden. Appellant heeft nog nadere stukken in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuyzen. II. OVERWEGINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv. Appellant, geboren op 15 oktober 1964, heeft laatstelijk in Nederland gewerkt als produktiemedewerker. Hij is in die werkzaamheden uitgevallen op 10 januari 1992 met psychische klachten. Appellant is na afloop van de wachttijd op 8 januari 1993 in aanmerking gebracht voor (onder meer) een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Sedert 15 februari 1996 heeft hij, vanwege beperkingen ten gevolge van epilepsie, recht op een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op verzoek van het Uwv is appellant, in het kader van de wet Terugdringing Beroep arbeidsongeschiktheidsregelingen, op 29 maart 2000 onderzocht in de Keçiören Polikliniek te Ankara door een algemeen arts, een psychiater en een neuroloog. De psychiater M.E. Tunca concludeert dat appellant in staat is om niet al te stresserende werkzaamheden te verrichten. De neuroloog A. Tunca is van oordeel dat appellant, vanwege epilepsie, geen werkzaamheden dient te verrichten op gevaarlijke plaatsen. Op grond van de bevindingen van het onderzoek is een TH-214-formulier opgesteld. Op die basis heeft de verzekeringsarts blijkens een rapportage van 26 september 2000 een belastbaarheidspatroon opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 6 oktober 2000 voor appellant passend te achten functies geselecteerd, waarbij hij het verlies aan verdiencapaciteit heeft vastgesteld op ongeveer 23%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 november 2000 appellant medegedeeld dat hij per 1 juli 1999 ongewijzigd voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt is te beschouwen. Bij besluit van 18 oktober 2001 (hierna: bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 november 2000 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat de medische gegevens uit de behandelende sector geen steun bieden aan het standpunt van appellant dat hij niet in staat is om werkzaamheden te verrichten. Het Uwv heeft zich bij het bestreden besluit I voorts op het standpunt gesteld dat appellant bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 1996 alleen beperkingen ondervond ten gevolge van epilepsie, en dat eventuele beperkingen als gevolg van een andere ziekte-oorzaak (zoals de bronchitus en buikklachten) weliswaar zouden kunnen leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid, maar niet tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse, omdat die klachten niet verzekerd zijn. De rechtbank heeft blijkens de aangevallen uitspraak (onder meer) het beroep van appellant, er op neerkomende dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat het Uwv heeft nagelaten twee belastbaarheidspatronen op te stellen, te weten een op basis van de beperkingen als gevolg van epilepsie, en een op basis van alle beperkingen. Omdat uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 april 2003 naar voren komt dat appellant, in verband met een correctie van de mediane loonwaarde, per de datum in geding had moeten worden ingedeeld in de klasse 25 tot 35% in plaats van 15 tot 25%, ontbeert naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit bovendien een deugdelijke motivering. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen op 18 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit II). Bij dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 november 2000 gegrond verklaard en het recht op de WAO-uitkering per 1 juli 1999 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat ook bij het bestreden besluit II onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen en dat hij niet in staat is om werkzaamheden te verrichten. De Raad overweegt als volgt. Aangezien het hiervoor weergegeven besluit op bezwaar van 18 oktober 2005, dat het Uwv heeft genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, aan het beroep niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 18 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.