06/2155 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 maart 2006, 05/1414 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College) Datum uitspraak: 7 november 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N.M.J. van der Maas, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg. nr. 05/5603 WWB, plaatsgevonden op 26 september 2006, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Spooren, kantoorgenoot van mr. Van der Maas, en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Haagmans. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellante heeft zich op 24 augustus 2004 bij het Centrum voor werk en inkomen gemeld voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand is door de sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen onderzoek gedaan naar het feitelijk woonadres van appellante. Daartoe is onder meer dossieronderzoek verricht, is bij diverse instanties om inlichtingen gevraagd, is appellante gehoord en is op 25 oktober 2004 een huisbezoek afgelegd op het door appellante opgegeven adres. De bevindingen van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 22 november 2004, zijn aanleiding geweest voor het College bij besluit van 23 november 2004 onder meer de aanvraag om bijstand af te wijzen. Daarbij is overwogen dat appellante niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres en dat zij de op haar rustende inlichtingen-verplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het College het tegen het besluit van 23 november 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juni 2005 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting is tussen partijen in geschil de afwijzing van de aanvraag van bijstand van appellante van 24 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.