05/6825 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 oktober 2005, 05/28 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 1 november 2006. I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.F. Kortooms, juridisch adviseur bij de Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaars- Vereniging. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2.1. Appellante is tot 1 augustus 2004 werkzaam geweest in dienst van [de werkgeefster] (hierna: [de werkgeefster]). Bij besluit van 29 september 2004 heeft het Uwv haar met ingang van 2 augustus 2004 een WW-uitkering toegekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaar was gericht tegen het vastgestelde gemiddeld aantal arbeidsuren en tegen de hoogte van het dagloon. 2.2. Bij het bestreden besluit van 7 december 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de hoogte van het dagloon gegrond verklaard en het bezwaar tegen de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren ongegrond verklaard. Volgens het Uwv heeft appellante in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan haar ontslag gemiddeld 12,85 uur per week gewerkt bij [de werkgeefster] en daarnaast gedurende 5 uur per week als zelfstandige en gemiddeld 2,03 uur voor verschillende uitzendbureaus. Appellante heeft per 2 augustus 2004 recht op een WW-uitkering voor de uren die zij heeft verloren bij de Muzierie. Naast dit uitkeringsrecht mag appellante van het Uwv in totaal 7,03 uur per week werken, bijvoorbeeld als zelfstandige of als uitzendkracht, zonder dat zij wordt gekort op haar uitkering. 2.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 2.4. Op grond van hetgeen door appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, stelt de Raad vast dat uitsluitend nog in geschil is of het Uwv het gemiddeld aantal arbeidsuren dat appellante voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsurenverlies werkzaam was voor verschillende uitzendbureaus terecht heeft vastgesteld op 2,03 uur per week. 3. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. 3.1. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de WW wordt onder het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren dat de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies aan arbeidsuren als werknemer arbeid heeft verricht. Op grond van het vijfde lid van genoemd artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het tweede lid regels worden gesteld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.