05/7378 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 november 2005, 05/321 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV). Datum uitspraak: 15 november 2006. I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2006. Appellant is verschenen met bijstand van mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. 2.1. Appellant is met ingang van 2 september 2002 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Naar aanleiding van een anonieme tip met betrekking tot werkzaamheden die appellant zou verrichten bij [naam bedrijf] is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar mogelijke uitkeringsfraude door appellant. 2.2. Gezien de uitkomsten van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 13 september 2004, constaterend dat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, het recht op WW-uitkering gedeeltelijk herzien over de periode van 1 april 2003 tot en met 29 februari 2004. Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft het Uwv van appellant teruggevorderd het over de periode van 1 april 2003 tot en met 29 februari 2004 onverschuldigd aan hem betaalde bedrag aan WW-uitkering. Bij besluit van 4 februari 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder beperking van de periode waarover wordt teruggevorderd, het bezwaar van appellant tegen de besluiten 13 september 2004 en 20 oktober 2004 ongegrond verklaard. 3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Volgens artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Ingevolge het tweede lid eindigt het recht op uitkering voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd. Ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, een dergelijk besluit of trekt het dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Ingevolge het tweede lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Ingevolge artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WW wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, van de betrokken werknemer teruggevorderd. 4.2. Gezien hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard omtrent de omvang van het geschil wordt in hoger beroep de aangevallen uitspraak beoordeeld voorzover de rechtbank daarbij met betrekking tot de herziening van de uitkering heeft beslist dat de volgende door appellant verrichte werkzaamheden moeten worden beschouwd als werkzaamheden uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd: - het voeren van functioneringsgesprekken/kennismakingsgesprekken met vier medewerkers; - het verrichten van vergaarwerk (vouwen, nieten, snijden en bundelen); - het verrichten van acquisitiewerkzaamheden bij vrienden uit zijn netwerk; - het uitvoeren van calculaties; - het vervoeren van drukwerk naar bezorgers ter verspreiding. Met betrekking tot de werkzaamheden waarop deze opsomming ziet, spitst het geschil zich toe op het oordeel van de rechtbank dat deze werkzaamheden moeten worden beschouwd als werkzaamheden in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WW (i), dat appellant door bepaalde mededelingen te doen aan een medewerker van het CWI dan wel aan het Uwv niet reeds heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 25 van de WW rustende inlichtingenplicht (ii), alsmede op haar oordeel dat de door de strafrechter uitgesproken vrijspraak niet betekent dat het Uwv er ten onrechte van is uitgegaan dat appellant de op hem ingevolge deze bepaling rustende verplichting niet is nagekomen (iii). Tegen het bestreden besluit voorzover betrekking hebbend op de terugvordering zijn geen zelfstandige grieven aangevoerd. 4.3. Omtrent de in 4.2. vermelde punten van geschil overweegt de Raad het volgende. 4.3.1. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.