04/5779 WAO 04/5780 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 september 2004, 03/2554 en 04/387, in de gedingen tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 10 november 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2006. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. J.C. van Etten, advocaat te Arhem. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. II. OVERWEGINGEN Ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit van 13 januari 2003 Bij besluit van 23 augustus 2002 heeft het Uwv de aanvraag van appellante tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) na afloop van de wettelijke wachttijd met ingang van 12 augustus 2002 afgewezen, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid op die dag minder dan 15% zou bedragen. Ondanks het daartegen gerichte bezwaar heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd bij zijn besluit van 13 januari 2003, bekend gemaakt op 8 mei 2003. Appellante heeft op het besluit van 13 januari 2003 gereageerd bij een aan het Uwv gerichte brief van 19 mei 2003. Begin juni 2003 is aan de balie van het Uwv-kantoor afgegeven een op 26 mei 2003 gedateerde schrijven van de huisarts van appellante, gericht aan haar echtgenoot en inhoudende dat “het enige dat uw echtgenote nog kan doen is in beroep gaan bij de rechtbank”. Appellante heeft op 10 juni 2003 een brief aan het Uwv verzonden waarin zij melding maakt dat zij sinds oktober 2002 onder psychiatrische behandeling is en waarin zij vraagt om een herkeuring. Bij brief van 9 oktober 2003 heeft de gemachtigde van appellante aan het Uwv bericht dat appellante met haar brief van 19 mei 2003 heeft beoogd beroep in te stellen tegen het besluit van 13 januari 2003 en verzocht om doorzending van die brief aan de rechtbank. Het Uwv heeft bij schrijven 4 november 2003 de tot dan gevoerde correspondentie aan de rechtbank doen toekomen. De rechtbank heeft het inleidende beroep tegen het besluit van 13 januari 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen, samengevat en voor zover van belang, dat uit de bewoordingen van de brief van 19 mei 2003 niet kan worden opgemaakt dat appellante de bedoeling had door middel van deze brief beroep in te stellen, omdat hierin slechts melding wordt gemaakt van de toename van haar klachten en omdat zij hierin slechts de verwachting uitspreekt dat zij zal worden herkeurd. De rechtbank, er van uitgaande dat appellante, die gebrekkig Nederlands spreekt, bij het opstellen van de brief van 19 mei 2003 hulp heeft gehad, leest hierin een verzoek aan het Uwv om de situatie van appellante nogmaals te beoordelen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 januari 2003 terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad stelt voorop dat het Uwv naar aanleiding van de ontkenning van de ontvangst van de brief van 13 januari 2003 door appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dat besluit op die dag door verzending aan appellante bekend heeft gemaakt. De Raad heeft het er daarom voor te houden dat de bekendmaking van het besluit van 13 januari 2003 eerst op 8 mei 2003 (de door appellante in haar brief van 18 mei 2003 genoemde datum van ontvangst) op de door de wet voorgeschreven wijze heeft plaats gevonden. Dat betekent dat de laatste dag van de beroepstermijn 19 juni 2003 was. Binnen de beroepstermijn heeft appellante aan het Uwv de hiervoor genoemde brieven van 19 mei 2003, 26 mei 2003 en 10 juni 2003 doen toekomen. Ingevolge artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een bij het Uwv ingediend beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank en is, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, het tijdstip van de indiening van het beroepschrift bij het Uwv bepalend voor de vraag of het tijdig is ingediend. Het komt er daarmee op aan of de brieven van 19 mei 2003 en volgende, afzonderlijk, dan wel in onderling verband gelezen, kunnen worden gelezen als beroepschrift, gericht tegen het besluit van 13 januari 2003. Met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. De brief van 19 mei 2003 moet, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, worden uitgelegd als een verzoek om herkeuring. De, met hulp van derden geschreven, tekst en de adressering van de brief wijzen daar op en dat klemt te meer waar de huisarts in de brief van 26 mei 2003 andermaal wijst op de mogelijkheid beroep in te stellen bij de rechtbank. De weigering om terug te komen van het besluit van 13 januari 2003 Appellante heeft aan het Uwv verzocht terug te komen van zijn besluit van 13 januari 2003, omdat zij sinds oktober 2002 onder psychiatrische behandeling staat vanwege depressieve klachten. De verzekeringsarts heeft hierin aanleiding gevonden tot het instellen van een nader medisch onderzoek en het opvragen van informatie bij de appellante behandelende psychiater. Deze psychiater heeft bij brief van 18 augustus 2003 de gevraagde gegevens verstrekt. Als samengestelde diagnose geeft hij aan pijnstoornis gebonden aan psychische fact, depressieve stoornis en dysthyme stoornis. De depressieve klachten zouden al langere tijd, in wisselende intensiteit bestaan. Bij besluit van 5 september 2003 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 13 januari 2003, omdat niet zou zijn gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die er tot leiden dat het besluit onjuist zou zijn. Dit besluit is ondanks het daartegen gerichte bezwaar door het Uwv met zijn besluit van 19 januari 2004 gehandhaafd. Het tegen het besluit van 19 januari 2004 gerichte beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen, samengevat, dat de brief van 18 augustus 2003 geen wezenlijk andere gegevens ten aanzien van de medische situatie van appellante bevat dan die waarmee de verzekeringsarts(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.