04/5603 WAO en 05/4810 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2004, 03/1643 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 november 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.L.J. Weltevrede. II. OVERWEGINGEN Appellante was werkzaam als groepsleidster in de kinderopvang voor 36 uur per week. Zij is op 13 juni 2000 voor dit werk arbeidsongeschikt geworden. Bij besluit van 19 juli 2002 is haar per 28 juni 2001 een WAO-uitkering geweigerd aangezien haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 15 april 2003 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het door appellante ingediende bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. Het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat er geen onderzoek is gedaan door een onafhankelijk psychiater. Het is voor haar in het geheel niet meer mogelijk om loonvormende arbeid te verrichten. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv op 19 juli 2005 een nieuw besluit (bestreden besluit II) genomen. Daarbij is het bezwaar gegrond verklaard en is aan appellante met ingang van 28 juni 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Aangezien het Uwv bij het bestreden besluit II niet volledig aan het door appellante ingestelde hoger beroep is tegemoet gekomen, wordt dat hoger beroep mede geacht te zijn gericht tegen dat besluit en zal de Raad tevens een oordeel over dat besluit geven. Alle door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden zullen volledig aan de orde komen bij de beoordeling van dat besluit. Bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak heeft appellante geen rechtens te beschermen belang meer. Appellante zal in haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Met betrekking tot bestreden besluit II overweegt de Raad het volgende. Uit de medische stukken is de Raad niet kunnen blijken dat appellante meer beperkt is in haar arbeidsmogelijkheden dan het Uwv heeft aangenomen. Naar het oordeel van de Raad is zowel met de psychische klachten als met de lichamelijke klachten in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voldoende rekening gehouden. Noch in beroep noch in hoger beroep heeft appellante medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel zou moeten leiden. De Raad ziet dan ook geen reden voor een onderzoek door een onafhankelijk deskundige. Met betrekking tot de aan appellante voorgehouden functies van wikkelaar (Sbc-code 267050), productiemedewerker kunststof
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.