05/924 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 januari 2005, 04/2261 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 december 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.E. van Waart, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2006. Appellant is, na telefonische kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn. II. OVERWEGINGEN Op 5 september 2002 heeft appellant aan het Uwv verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG). Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 14 november 2003 heeft het Uwv het bij besluit van 14 mei 2003 ingenomen standpunt gehandhaafd dat appellant ter zake van zijn op zijn 18e verjaardag (25 april 1996) al bestaande arbeidsongeschiktheid niet eerder dan ingaande een jaar voor de aanvraagdatum, 5 september 2001, een uitkering ingevolge de WAJONG toekomt. Een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid van de WAJONG, op grond waarvan de uitkering nog eerder zou kunnen ingaan, heeft het Uwv niet aanwezig geacht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen gevolgd dat appellant weliswaar vanaf zijn 18e verjaardag arbeidsongeschikt is op psychische gronden, maar dat die omstandigheid niet vanzelf leidt tot de conclusie dat appellant redelijkerwijs gesproken ook niet eerder uitkering had kunnen aanvragen, eventueel via het inroepen van hulp uit zijn directe omgeving. De van de zijde van appellant ingezonden brief van 3 juni 2003 van diens behandelend psychiater E. Gerretsen heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel. Daarop is het bestreden besluit in stand gelaten. In hoger beroep is namens appellant (samengevat) aangevoerd dat de rechtbank aan de brief van 3 juni 2003 van de psychiater Gerretsen te weinig gewicht heeft toegekend, mede gelet op diens eerdere zich onder de gedingstukken bevindende brieven van 27 februari 2002 aan de huisarts en de gemachtigde van appellant en de brief van 24 november 2004 waarin de moeder van appellant een uitvoerige uiteenzetting heeft gegeven met betrekking tot de problematiek van appellant. Voorts is aangevoerd dat het appellant eerst begin 2002, toen hij bij psychiater Gerretsen onder behandeling kwam, duidelijk werd dat de problemen in zijn functioneren het gevolg waren van ziekte en dat hij als gevolg daarvan arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de beschikbare gegevens het ervoor dient te worden gehouden dat appellant reeds in een vroegtijdig stadium moet hebben begrepen dat zijn gezondheidssituatie aanzienlijke beperkingen met zich bracht wat betreft zijn functioneren in zijn algemeenheid en wat betreft zijn functioneren in loonvormende arbeid in het bijzonder. In ieder geval is geen sprake van een bijzondere situatie, waarin eerst in een laat stadium bij appellant of zijn omgeving inzicht is ontstaan in de ernst van zijn handicap en de gevolgen daarvan voor zijn arbeidsgeschiktheid. Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of zich in het geval van appellant een bijzondere omstandigheid voordoet die het Uwv er toe had moeten brengen appellant met ingang een eerdere datum dan één jaar voor de datum van haar aanvraag een uitkering te verstrekken. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is sprake van een bijzonder geval indien de betrokkene ter zake van de (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.