05/7330 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2005, 05/732 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 2 januari 2007 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 19 september 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 19 september 2006 heeft appellant verzet gedaan. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 28 november 2006, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 19 september 2006 berust hierop, dat het hoger beroepschrift niet binnen de termijn van zes weken na de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank is ingediend. Aan de orde is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van de volgende overwegingen. Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat de termijn van zes weken om hoger beroep in te stellen in dit geval is aangevangen op 9 november 2005, de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt, en is geëindigd op dinsdag 20 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.