05/1746 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2005, 04/2607 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 januari 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. F. Kiliç, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006, waarbij partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN Appellante heeft op 1 september 2001 met ingang van 1 oktober 2001 een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden met Mabro uitzendbureau afgesloten. Vervolgens heeft zij op 1 oktober 2001, met ingang van 1 september 2001, met hetzelfde uitzendbureau een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten. Op 16 september 2002 heeft appellante zich wegens een leverontsteking en klachten van overspannenheid ziek gemeld. Het Uwv heeft appellante met ingang van 1 oktober 2002 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 28 april 2003 heeft het Uwv in verband met een loondoorbetalingsverplichting van de werkgever van appellante de uitkering ingevolge de ZW met ingang van 21 april 2003 beëindigd en tevens meegedeeld dat met ingang van 1 oktober 2002 geen recht bestaat op ziekengeld. Bij besluit van 16 juni 2003 heeft het Uwv van appellante een bedrag ad € 7.986,60 teruggevorderd vanwege onverschuldigd betaald ziekengeld. Bij besluit van 13 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het, bij brief van 18 juni 2003 ingediende, bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante zich - onder meer - op het standpunt gesteld dat ten onrechte door de rechtbank is overwogen dat de rechtmatigheid van de terugvordering rechtens is komen vast te staan, dat de periode waarover onverschuldigd is betaald niet overeenkomt met het onverschuldigd betaalde bedrag en dat het Uwv tijdens de bezwaarschriftenprocedure onzorgvuldig heeft gehandeld nu appellante niet in de gelegenheid is gesteld alsnog te worden gehoord. De Raad overweegt het volgende. Bij voormeld besluit van 28 april 2003 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 oktober 2002 geen recht heeft op ziekengeld omdat haar werkgever een loondoorbetalingsverplichting heeft en dat haar uitkering ingevolge de ZW met ingang van 21 april 2003 wordt beëindigd. Tevens is bij dit besluit aan appellante meegedeeld dat vanaf 1 oktober 2002 door appellante teveel ziekengeld is ontvangen en dat het onverschuldigd aan haar uitbetaalde ziekengeld zal worden teruggevorderd met een apart besluit. De Raad stelt vast dat tegen het besluit van 28 april 2003 geen bezwaar is gemaakt, zodat in rechte vast staat dat appellante over de periode van 1 oktober 2002 tot en met 20 april 2003 geen recht heeft op ziekengeld. De Raad is van oordeel dat uit de bij het besluit van 16 juni 2003 behorende bijlage “specificatie terugvordering” in samenhang met het besluit van 28 april 2003 genoegzaam blijkt dat de terugvordering van het bedrag van € 7.986,60 betrekking heeft op de periode van 1 oktober 2002 tot en met 20 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.