06/1332 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 januari 2006, 04/967 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 januari
- I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14 november
- Partijen zijn niet verschenen, het Uwv na voorafgaand bericht. II. OVERWEGINGEN De Raad stelt voorop dat hij geen termen aanwezig heeft geacht om de behandeling van het hoger beroep van appellante aan te houden. Voorts overweegt de Raad dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang. Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het Uwv ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 15 december 2003, waarbij de door appellante verschuldigde gedifferentieerde premie voor het premiejaar 2004 is vastgesteld op 1,32%. Hierbij is rekening gehouden met het bedrag aan WAO-uitkering dat in het jaar 2002 is uitbetaald aan een ex-werknemer van appellante. Met laatstbedoelde uitkering was ook al rekening gehouden bij de vaststelling van de door appellante verschuldigde gedifferentieerde premie voor de premiejaren 2001, 2002 en
- Tegen de daarop betrekking hebbende, na bezwaar genomen besluiten van het Uwv is appellante in rechte opgekomen. Bij uitspraak van 14 juli 2005, 04/1622 WAO, 04/1624 WAO, 04/1625 WAO, 04/1653 WAO, 04/1654 WAO en 04/1655 WAO (LJ-nummer: AU0707) heeft de Raad onder vernietiging van de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2004, 02/214, 02/1538 en 03/1555, het beroep van appellante tegen evenbedoelde besluiten alsnog ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank verwezen naar ’s Raads uitspraak van 14 juli
- Na te hebben vastgesteld dat het thans aan de orde zijnde besluit berust op overwegingen van het Uwv die in de eerdere zaken zijn onderschreven, heeft de rechtbank geoordeeld dat de stellingen van appellante tegen het besluit van 30 maart 2004 geen doel treffen en haar beroep derhalve ongegrond moet worden verklaard. Ook de Raad stelt vast dat hetgeen appellante heeft aangevoerd, overeenkomt met hetgeen zij heeft aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 14 juli
- Gelijk de rechtbank heeft gedaan, volstaat de Raad dan ook met te verwijzen naar deze uitspraak. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad tot slot geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari
- (get.) G. van der Wiel. (get.) D. Olthof. BKH 150107