06/2296 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 maart 2006, 05/904 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 6 maart 2007 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet (Bw) van 26 juli 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 26 juli 2006 is drs. J.E. de Boer, wonende te Oranjewoud, namens appellante in verzet gekomen. Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad op 30 januari 2007, waar appellante – met voorafgaand bericht – niet is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga. II. OVERWEGINGEN Naar aanleiding van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of hij bij zijn uitspraak van 26 juli 2006 terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Ingevolge artikel 6:6, eerste lid van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid van de Awb is bij verzending per post een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het beroepschrift is gedagtekend op 14 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.