04/3900 WAZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante) tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2004, 03/146 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 maart 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2006, waar appellante - zoals aangekondigd - niet is verschenen. Voor het Uwv is verschenen A. Anandbahadour, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang. Appellante is in 1992 als maat toegetreden tot een maatschap van advocaten. Haar inkomen als maat werd gevormd door een aandeel in de winst. De maatschap kent een ingroeiregeling, hetgeen inhoudt dat een intredende nieuwe maat in het eerste jaar 50% ontvangt van het winstaandeel van een “oude” maat met een stijging van 5% per jaar. In 1994 is appellante zwanger geworden van haar tweede kind. Om medische redenen ging zij per 30 oktober 1994 halve dagen werken. Op 1 januari 1995 ging haar zwangerschapsverlof in. Op 5 februari 1995 is zij bevallen. Na de bevalling heeft zij haar werk als advocaat niet meer kunnen hervatten. Aan appellante is ingaande 30 oktober 1995 een uitkering krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet toegekend, welke uitkering met ingang van 1 januari 1998 is voortgezet als een uitkering krachtens de WAZ. Deze uitkering werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 5 juni 2002 heeft het Uwv met toepassing van artikel 58 van de WAZ de uitkering van appellante in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van 1 januari 2000 betaalbaar gesteld als ware zij voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt. De bezwaren van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 1 oktober 2002 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv onder meer overwogen dat voor de vaststelling van het maatmaninkomen wordt gekeken naar drie voltooide boekjaren vóór de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, eventueel naar één of twee voltooide boekjaren indien er niet meer beschikbaar zijn. In het geval van appellante zijn, uitgaande van 3 oktober 1994 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, de voltooide boekjaren 1992 en 1993 in aanmerking genomen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij met betrekking tot de vaststelling van het maatmaninkomen overwogen dat uitgangspunt is de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Anders dan appellante heeft de rechtbank in regelgeving, noch in jurisprudentie aanknopingspunten gezien voor de opvatting dat daarbij bedoeld is dat de datum waarop de wachttijd voor de WAZ eindigt, uitgangspunt dient te zijn. Aldus dient als uitgangspunt te worden genomen de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, zijnde de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werk tijdens de werktijd is gestaakt. In het geval van appellante is dat de datum waarop haar zwangerschapsverlof een aanvang nam, te weten 30 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.