06/5588 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2006, 06/602 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 23 maart 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.R. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bissessur. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 1 november 2005 geschorst. Appellant heeft een inlichtingenformulier niet geretourneerd en daarmee niet de informatie verstrekt die van invloed kan zijn op zijn uitkering. Bij faxbericht van 1 december 2005 - dat dezelfde dag door het Uwv is ontvangen - is namens appellant tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Het Uwv heeft vervolgens in zijn besluit van 20 januari 2006 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, waartoe in aanmerking is genomen dat de laatste dag van de bezwaartermijn liep tot en met 30 november 2005 en dat derhalve het bezwaar van appellant één dag te laat ingediend is. Het Uwv heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het bestaan van bijzondere omstandigheden waardoor de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar zou zijn. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht appellants bezwaarschrift tegen het besluit van 19 oktober 2005 niet ontvankelijk heeft verklaard. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant met zijn schrijven van 28 november 2005 in staat is gebleken tijdig zijn advocaat voor hulp bij de procedure te benaderen. Het is de Raad voorts niet gebleken van enige verschoonbaarheid aan de zijde van appellant inzake het niet tijdig indienen van een - desnoods proforma, dat wil zeggen nog niet gemotiveerd - bezwaarschrift bij het Uwv, waartoe tot en met 30 november 2005 nog gelegenheid bestond. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen de gevolgen van processuele handelingen, waaronder tevens te verstaan een nalaten van een gemachtigde in het algemeen, voor rekening te blijven van degene die zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd. De Raad heeft geen aanknopingspunten om daar in het onderhavige geval anders over te oordelen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart
- (get.) D.J. van der Vos. (get.) W.R. de Vries. RB1203