06/78 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 november 2005, 05/180 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio] (hierna: korpsbeheerder) Datum uitspraak: 19 april 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2007, waar namens appellant is verschenen mr. C.J.M. Gielen-Trines, advocaat te Eindhoven. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.J.J.M. van der Heijden, werkzaam bij de politieregio [naam regio] (hierna: politieregio). II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.2. Aan appellant is met ingang van 4 juni 2002 ontslag verleend uit zijn werkzaam-heden als operationeel chef bij de politieregio. Op 28 maart 2002 heeft appellant zich ziek gemeld. De bedrijfsarts van de Arbo-Unie heeft appellant per 6 mei 2002 arbeidsgeschikt bevonden. De korpsbeheerder heeft de aanspraken van appellant op bezoldiging met ingang van 1 oktober 2002 laten vervallen omdat appellant er volgens de korpsbeheerder de oorzaak van was dat het arbeidsgezondsheidskundig onderzoek door een door de arbodienst aangewezen arts niet kon plaatsvinden. De voorzieningenrechter van de rechtbank Breda heeft bij zijn uitspraak van 25 maart 2003, 03/348, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.3. De gemachtigde van appellant heeft op 11 april 2003 de korpsbeheerder verzocht om doorbetaling van de bezoldiging voor de duur dat appellant arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 39, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit bezoldiging politie (hierna: BBP) en voor de periode als in dat artikel bepaald. 1.4. Op 5 mei 2003 heeft een medisch onderzoek als bedoeld in artikel 51, tweede en derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) plaatsgevonden, waarbij werd geconcludeerd dat appellant op 5 mei 2003 arbeidsongeschikt is voor het volledig uitvoeren van zijn eigen functie en dat aannemelijk is dat dit ook geldt voor de situatie op 1 november 2002 en op 6 mei 2002. De korpsbeheerder heeft vervolgens bij besluit van 8 mei 2003 aan appellant meegedeeld de doorbetaling van de bezoldiging te hervatten vanaf het moment dat hij zich heeft gemeld bij de Arbo-Unie, zijnde 17 oktober 2002. 1.5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft appellant bij besluit van 7 oktober 2003 meegedeeld dat hem met ingang van 2 april 2003 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) wordt toegekend omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt geacht. De korpsbeheerder heeft appellant vervolgens meegedeeld dat de wettelijke periode van doorbetaling van zijn bezoldiging met ingang van 4 april 2003 van rechtswege is opgehouden en dat het over de periode van 4 april 2003 tot en met 30 september 2003 onverschuldigd betaalde bedrag aan bezoldiging van € 13.161,43 wordt teruggevorderd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 december 2004 (hierna: bestreden besluit). 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 24 februari 2000, LJN AA5418 en TAR 2000, 50) is een bestuursorgaan bevoegd om hetgeen in het kader van de rechts-betrekking met een ambtenaar of een gewezen ambtenaar onverschuldigd is betaald terug te vorderen tenzij algemene rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten. 3.2. Artikel 39, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het BBP luidde ten tijde in geding, voor zover relevant, als volgt: “De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag (…), nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.