06/2027 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 maart 2006, 05/469 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen [betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 26 april 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 1 maart 2007, waar partijen, betrokkene met voorafgaand schriftelijk bericht, niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende. Bij brief van 9 september 2004 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat zij, gezien het feit dat zij per 1 juli 2004 eigen risicodraagster is geworden, op grond van artikel 75a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanaf deze datum gedurende 5 jaar zorg dient te dragen voor de betaling van de WAO-uitkering van haar (ex)werknemer. De door appellant over de maanden juli, augustus en september 2004 nog doorbetaalde WAO-uitkering aan deze (ex)werknemer wordt van betrokkene teruggevorderd. Bij besluit van 3 januari 2005 zijn de bezwaren daartegen ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het door betrokkene tegen het besluit van 3 januari 2005 ingestelde beroep voor zover gericht tegen de mededeling betreffende de toerekening van de WAO-uitkering van de (ex)werknemer aan betrokkene gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft. De rechtbank heeft daarbij, voorzover hier van belang, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 november 2004 (LJN: AR5915) overwogen dat de mededeling betreffende de toerekening van de WAO-uitkering van de (ex)werknemer aan betrokkene als werkgever in dit geval geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met deze mededeling informeert appellant betrokkene immers alleen over de direct uit de wet voorvloeiende gevolgen van het eigen risicodragerschap na de toekenning van de WAO-uitkering aan een (ex)werknemer van haar, zodat appellant het bezwaar van betrokkene op dit onderdeel niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De door appellant tegen dit oordeel gerichte grond slaagt. Hiervoor verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 oktober 2006, gepubliceerd in RSV 2006/353 en USZ 2006/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.