06/2708 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 april 2006, 05/3997 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College) Datum uitspraak: 15 mei 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 06/2829 WWB, plaatsgevonden op 17 april 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard en waar het College zich, zoals tevoren bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op grond van de bevindingen van een onderzoek door de Sociale Recherche Leidschendam-Voorburg naar de rechtmatigheid van de aan F. [K.] (hierna: [K.]) verleende bijstand heeft het College de conclusie getrokken dat appellant vanaf 27 oktober 1998 zijn woonplaats niet meer had in de gemeente [naam gemeente]. Bij besluit van 22 november 2004 heeft het College de bijstand van appellant ingaande 1 november 2004 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 4 januari 2005 heeft het College vervolgens de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 27 oktober 1998 tot en met 31 oktober 2004 en de kosten van de aan appellant over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 65.421,80 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 13 mei 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 22 november 2004 en van 4 januari 2005 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 mei 2005 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad stelt op grond van het verhandelde ter zitting eerst vast dat de door het College gehandhaafde intrekking van de bijstand per 1 november 2004 niet langer in geschil is. Evenmin is in geschil dat appellant gedurende de periode van 12 januari 2004 tot en met 31 oktober 2004 woonde op het adres van [K.] aan de [adres 1] te [woonplaats]. Met betrekking tot de daaraan voorafgaande periode van 27 oktober 1998 tot 12 januari 2004 overweegt de Raad het volgende. Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw en (vanaf 1 januari 2004) artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het College van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de Abw en artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Op grond van de bevindingen van het onderzoek door de Sociale Recherche Leidschendam-Voorburg is voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat appellant (ook) in de door appellant nog betwiste periode zijn woonstede reeds had verplaatst naar [woonplaats], de gemeente waar de woning van [K.] is gelegen. De Raad heeft zich daarbij in hoofdzaak gebaseerd op de verklaring van [K.] ten overstaan van de sociaal rechercheurs en op de bevindingen van het woonomgevingsonderzoek in oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.