05/2287 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 maart 2005, 04/3088 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 juni 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D.G. Lysen-Berkenbosch hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2007, waar appellante met bericht van verhindering niet is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.W.S. Determan. II. OVERWEGINGEN Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 11 juni 2004 (het bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 10 december 2003 strekkende tot de intrekking van de eerder aan appellante toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ingaande 5 februari 2004, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Namens appellante zijn in hoger beroep de eerder naar voren gebrachte grieven herhaald, welke -kort samengevat- betreffen het onderschatten van haar klachten van parfum- en inhalatieallergie. Appellante ondervindt ernstige hinder van allerlei geuren, waardoor zij klachten krijgt die leiden tot ernstige beperkingen. Deze beperkingen verhinderen haar arbeid te kunnen verrichten. Ter ondersteuning is verwezen naar de brief van behandelend dermatoloog prof. dr. E. Stolz d.d. 24 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.