05/6551 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 oktober 2005, 04/2003 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 juni 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Koelewijn, advocaat te Uden, hoger beroep ingesteld en zijn aanvullend nog medische stukken ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007, waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft doen vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof. II. OVERWEGINGEN Appellante, die werkzaam is geweest als productiemedewerkster/schoonmaakster, is op 26 augustus 2002 uitgevallen met een recidiverende cystitis en haematurie. Daarnaast heeft zij psychische klachten gekregen. Bij besluit van 3 juni 2004, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 17 juli 2003, strekkende tot de weigering van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 25 augustus 2003 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest en dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat de verzekeringsarts A.C.M. Cooijmans dossieronderzoek en gericht lichamelijk en psychiatrisch onderzoek heeft gedaan. Uit het in 2001 verrichte urologisch onderzoek en later de gastro(duodeno)scopie zijn geen afwijkingen naar voren gekomen. Voorts heeft de verzekeringarts kennisgenomen van een brief van 16 mei 2003 van de GGZ en gegevens over een ziekenhuisopname op 21 juli 2003 voor onderzoek aan de urinewegen. De bezwaarverzekeringsarts A.C.D. Huijsmans heeft, na het meewegen van de in bezwaar overgelegde inlichtingen van de internist, huisarts en GGZ, aangegeven dat de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) neergelegde beperkingen van appellante voldoende gedragen worden door de objectiveerbare gegevens en dat de extra beperkingen die appellante ervaart niet worden onderbouwd vanuit de bestaande medische informatie en onderzoekgegevens. Door appellante zijn geen medische stukken overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen omtrent haar beperkingen op de datum in geding. Naar aanleiding van de stelling dat appellante, nadat zij is gezien door de (bezwaar)verzekeringsartsen, nog nadere onderzoeken bij specialisten heeft ondergaan, heeft de rechtbank overwogen dat de beperkingen van appellante ten tijde in geding, 25 augustus 2003, centraal staan en dat met eventuele latere verslechteringen geen rekening wordt gehouden. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de functies zoals deze als grondslag voor de schatting in aanmerking zijn genomen, maar heeft het besluit onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Dit omdat de motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies pas in beroep is gegeven met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A.A.J.M. Kamp d.d. 13 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.