05/2537 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 maart 2005, 02/2250 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 augustus 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.J.A.M. Burgers, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 18 juli 2007, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. Bij besluit van 10 april 2002 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 juni 2002 ingetrokken. Bij besluit van 8 november 2002 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 april 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de door appellante overgelegde rapportage van de psychiater H. de Jong van 7 mei 2003 en de reactie daarop van de bezwaarverzekeringsarts van 28 juli 2003, waarop De Jong bij brief van 10 oktober 2003 heeft gereageerd, aanleiding gezien een nader onderzoek door de onafhankelijke deskundige D.H.J. Boeykens, zenuwarts te Breda, te gelasten. Deze kon, blijkens zijn rapport van 22 juli 2004, instemmen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Zowel de bezwaarverzekeringsarts als De Jong hebben gereageerd op het rapport van Boeykens en de bezwaarverzekeringsarts heeft nog gereageerd op het commentaar van De Jong. Boeykens heeft op verzoek van de rechtbank een reactie gegeven op de commentaren van de bezwaarverzekeringsarts en De Jong. Hij heeft geen aanleiding gezien zijn conclusies bij te stellen. Aangezien Boeykens de beschikking had over alle relevante medische gegevens, hij appellante persoonlijk heeft onderzocht en zijn bevindingen genoegzaam heeft gemotiveerd, overwoog de rechtbank dat Boeykens op zorgvuldige wijze tot zijn oordeel is gekomen. De rechtbank heeft dit oordeel daarom overgenomen en tot het hare gemaakt. De rechtbank zag in de reactie van De Jong geen grond het medisch standpunt van Boeykens voor onjuist te houden. De rechtbank was van oordeel dat Boeykens genoegzaam heeft gereageerd op het standpunt van De Jong. Bij haar verdere beoordeling is de rechtbank dan ook uitgegaan van de medische beperkingen, zoals de verzekeringsarts die heeft neergelegd in de FML. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige in de arbeidskundige heroverweging een aantal voor appellante geselecteerde functies heeft laten vervallen en vervolgens heeft vastgesteld dat drie op de Arbeidsmogelijkhedenlijst vermelde functies, namelijk medewerker afd. aanhang, veilingmedew. aflevergebieden en stikster (sbc-codes 111170, 111250 en 272040) in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellante. De rechtbank is op basis van de vergelijking met de FML met het resultaat eindselectie van deze functies eveneens overtuigd van de geschiktheid van appellante voor deze functies. In de door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven toelichting en in het rapport van Boeykens ziet de rechtbank haar standpunt bevestigd. Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante een brief van De Jong van 20 april 2005 alsmede een brief van de waarnemend behandelend psychiater E.N. Jacob van 23 mei 2005 overgelegd. Appellante heeft daarbij aangevoerd dat de door appellante ingeschakelde psychiater De Jong over de waardering van het klachtenpatroon van appellante en de te stellen diagnose van mening verschilt met de door de verzekeringsarts geraadpleegde psychiater J.H.M. van Laarhoven en de deskundige Boeykens. Zij is van mening dat De Jong gevolgd dient te worden. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij ten tijde in geding niet in staat was voor haar kinderen te zorgen en dat het huishouden nagenoeg geheel werd verzorgd door haar echtgenoot, die ook het overgrote deel van de zorg voor de kinderen voor zijn rekening nam. In tegenstelling tot hetgeen het Uwv stelt was zij niet in staat zelfstandig naar Marokko te reizen. Zij is dan ook steeds samen met haar man en kinderen naar Marokko gereisd. Subsidiair heeft appellante de Raad verzocht alsnog een van de door De Jong genoemde deskundigen te raadplegen. Op verzoek van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de functie medewerker afd. aanhang. Boeykens heeft op verzoek van de Raad bij brief van 2 mei 2007 op de in hoger beroep overgelegde brieven van De Jong en Jacob een inhoudelijke reactie gegeven, waarin hij zijn conclusies handhaaft. Daarop heeft De Jong gereageerd bij brief van 26 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.