05/5636 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2005, 05/184 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 september 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2007, waar zowel appellant als zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen. II. OVERWEGINGEN Appellant was laatstelijk werkzaam als strijker in een confectiebedrijf voor 40 uur per week toen hij op 22 februari 2002 voor deze werkzaamheden is uitgevallen in verband met klachten van zijn linkeronderbeen ten gevolge van veneuze insufficiëntie en spanningsklachten. Appellant is per einde wachttijd op 21 februari 2003 op arbeidskundige gronden een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de klasse 80 tot 100%. Bij het in het kader van de eerstejaars herbeoordeling verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek werden afwijkende bevindingen vastgesteld aan beide benen (varicositas beiderzijds en veneuze insufficiëntie links) en werd geconstateerd dat appellant aanhoudende spanningsklachten had. Appellant werd in staat geacht de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 februari 2004 voor hem bepaalde belastbaarheid duurzaam aan te wenden voor arbeid. Appellant is hierin - onder meer - licht beperkt geacht ten aanzien van staan, hetgeen inhoudt dat appellant ongeveer een half uur achtereen kan staan, en licht beperkt geacht voor staan tijdens het werk, hetgeen inhoudt dat appellant zonodig gedurende de helft van de werkdag kan staan (ongeveer 4 uren). De arbeidsdeskundige R. van der Worm concludeerde op basis van een theoretische schatting van appellants arbeidsmogelijkheden dat er geen verlies aan verdiencapaciteit resteerde, waarop het Uwv bij besluit van 3 juni 2004 de WAO-uitkering van appellant per 13 juli 2004 heeft ingetrokken. De bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft in bezwaar de behandelend huisarts H.M. Kuynders en de chirurg A. Voorwinde geraadpleegd. De door de huisarts in zijn brief vermelde thoracale pijnklachten, vitamine B 12 tekort, nuchterglucose en matige cholesterolratio hebben Koek geen aanleiding gegeven (aanvullende) arbeidsbeperkingen te formuleren. Verder heeft Koek het aannemelijk geacht dat appellant als gevolg van de verminderde bloeddoorstroming in het linkerbeen beperkt is ten aanzien van de mobiliteit, waaronder lang staan, lopen, traplopen, klimmen en langdurig gehurkt en geknield werken. De in de FML geformuleerde beperkingen geven naar zijn oordeel voldoende afwisseling in mobiliteit. Koek heeft echter wel aanleiding gezien de in de FML neergelegde beperkingen ten aanzien van lezen, schrijven en spreken te verwijderen, omdat deze naar zijn oordeel niet voortvloeien uit ziekte of gebrek. Uitgaande van de gewijzigde FML van 13 oktober 2004 heeft de bezwaararbeidsdeskundige P.J.G.A. Pols Paardekooper de eerder geduide functies beoordeeld op geschiktheid en vastgesteld dat enkele functies niet langer geschikt te achten waren. De schatting is daarop gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie/productiemedewerker textiel, geen kleding/sorteerder, controleur. Een en ander had geen gevolgen voor de schatting omdat appellant ongewijzigd minder dan 15% arbeidsongeschikt te achten was. Het Uwv heeft zijn primair besluit van 3 juni 2004 gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 15 december 2004 (hierna: het bestreden besluit). Appellant heeft in beroep doen aanvoeren dat hij vanwege zijn beenklachten, spataderen en rugklachten niet in staat is langdurig te staan of te lopen noch de gehele dag te zitten. Verder heeft appellant gesteld dat hij vanwege depressiviteitsklachten niet in staat is om met collega’s om te gaan en de geduide functies niet berekend zijn voor zijn belastbaarheid. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv de WAO-uitkering van appellant terecht met ingang van 13 juli 2004 heeft beëindigd. De rechtbank heeft hiertoe overwogen (waarbij appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als gedaagde): “Het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend medisch standpunt berust op het door de primair verzekeringsarts verricht onderzoek, resulterend in de KFML van 26 februari 2004, de bij eisers behandelend artsen ingewonnen informatie en de door de bezwaarverzekeringsarts aangepaste KFML van 13 oktober 2004 die mede aan de hand van die informatie is opgesteld. Die aanpassing heeft blijkens het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 13 oktober 2004 in het bijzonder betrekking op het aannemen van beperkingen ten aanzien van mobiliteit, waaronder langdurig lopen, staan, traplopen, klimmen, hurken, geknield werken en met het linkerbeen in eenzelfde houding moeten zitten.” Beoordeling van die KFML wijst evenwel uit dat ten aanzien van het aspect “staan tijdens het werk” onveranderd is aangegeven dat eiser licht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.