07/5219 WWB-VV Centrale Raad van Beroep U I T S P R A A K van DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van: [Verzoekster], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2007, 07/2418 en 07/2419 (hierna: aangevallen uitspraak), in verband met het hoger beroep van: verzoekster en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College), Datum uitspraak: 2 oktober 2007 I. PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. R.P. Kuijper, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Namens verzoekster heeft mr. Kuijper tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. II. OVERWEGINGEN De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten. Verzoekster ontving sedert 30 juli 1986 algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op grond van de bevindingen van een op 1 september 2005 afgelegd huisbezoek heeft het College bij besluit van 8 september 2005 de bijstand van verzoekster ingetrokken met ingang van 1 september 2005 op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met P. de Bruin. Bij besluit van 23 februari 2006 is het tegen het intrekkingsbesluit van 8 september 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voerde en dat haar vermogen de voor haar geldende vermogensgrens overschreed. Bij uitspraak van 17 april 2007, 05/5918, heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 23 februari 2006 gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op dat bezwaar te nemen. Partijen hebben in deze uitspraak berust. Bij brief van 4 juni 2007 heeft de gemachtigde van verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar overeenkomstig de uitspraak van 17 april 2007 en de rechtbank verzocht om het College tot schadevergoeding te veroordelen. Bij brief van 12 juni 2007 is tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit van 8 september 2005 opnieuw ongegrond verklaard. Aan deze ongegrondverklaring ligt niet meer ten grondslag dat verzoekster een gezamenlijke huishouding zou voeren, maar wel dat het recht op bijstand per 1 september 2005 niet kan worden vastgesteld als gevolg van schending van haar inlichtingenverplichting omtrent haar vermogen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - het beroep tegen het gestelde niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard; - het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007 ongegrond verklaard; - het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen; - het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Bij beroepschrift van 31 augustus 2007 heeft de gemachtigde van verzoekster hoger beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007 en tegen de afwijzing van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding. Bij verzoekschrift van 31 augustus 2007 heeft deze gemachtigde tevens verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening - het College te bevelen bij wijze van voorschot een bedrag aan verzoekster te voldoen gelijk aan de toepasselijke maandelijkse bijstandsuitkering; - de in beroep gevorderde schadevergoeding toe te wijzen. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat in het beroepschrift van 31 augustus 2007 geen hoger beroep is ingesteld tegen de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het gestelde niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De bodemprocedure in hoger beroep ziet op de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 12 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.