03/4786 TW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2003, kenmerk 03/820 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 31 december 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 28 november 2000 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat de toeslag die appellant ingevolge de Toeslagenwet (hierna: TW) ontving, vanaf 1 januari 2000 in een periode van drie jaar zou worden afgebouwd. Over het jaar 2000 ontving appellant nog de volledige toeslag, over het jaar 2001 twee derden van deze toeslag, over het jaar 2002 een derde van deze toeslag en ingaande 1 januari 2003 zou de toeslag geheel worden beëindigd. Het door het Uwv genomen besluit was gebaseerd op artikel 4a van de TW in samenhang met artikel XI van de Wet beperking export uitkeringen (hierna: wet BEU). Appellant is destijds niet in rechte opgekomen tegen de afbouw van de toeslag. Bij brief van 26 november 2002 heeft het Uwv onder verwijzing naar zijn besluit van 28 november 2000, medegedeeld dat de toeslag per 1 januari 2003 geheel zou worden beëindigd. Het tegen deze brief gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 14 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, nu de brief niet kon worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en heeft hiertoe overwogen dat de brief van 26 november 2002 niet kan worden aangemerkt als gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. Het rechtsgevolg is naar het oordeel van de rechtbank reeds in het leven geroepen door het besluit van het Uwv van 28 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.