05/6409 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 september 2005, 05/589 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 30 juli 2007 een vraag van de Raad beantwoord. Namens appellant heeft mr. E.R. Jonkman, verbonden aan FNV Bouw, de gronden van het hoger beroep aangevuld. Het Uwv heeft hierop bij brief van 15 oktober 2007 gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 16 november 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.M. de Groot. II. OVERWEGINGEN Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. Terwijl appellant een uitkering ontving uit hoofde van de Werkloosheidswet (WW) heeft hij zich op 17 juni 2002 arbeidsongeschikt gemeld met klachten als gevolg van insuline afhankelijke diabetes. Aansluitend aan de voor hem geldende wachttijd heeft het Uwv hem per 16 juni 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 18 januari 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 8 juni 2004, waarbij de WAO-uitkering van appellant in het kader van een zogenoemde eerstejaars herbeoordeling per 9 augustus 2004 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. De rechtbank kan zich verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit, maar meent dat het besluit pas in de beroepsfase van een voldoende inzichtelijke motivering is voorzien. De gronden in hoger beroep richten zich tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen in stand te laten. Appellant meent dat het Uwv zijn beperkingen op een aantal punten te licht heeft ingeschat, en is van mening dat de belasting van een aantal van de voor hem geselecteerde functies te zwaar is, zodat deze niet door hem kunnen worden uitgeoefend. De Raad oordeelt als volgt. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad voegt daar nog aan toe, dat de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling via de in hoger beroep ingezonden rapportage d.d. 12 oktober 2007, voldoende overtuigend nader heeft toegelicht dat appellant in 2004 voor de aspecten “duwen of trekken” en “tillen of dragen” in mindere mate beperkt was dan in 2003. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Met zijn beperkingen was appellant naar het oordeel van het Uwv nog in staat om de functies van inpakker (SBC code 111190), houtwarensamensteller
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.