07/2981 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2007, 06/4043 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Minister van Justitie (hierna: minister) Datum uitspraak: 10 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door I.F.M.T. Raijmakers, belastingconsulent, werkzaam bij Raijmakers Administraties. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te ’s-Gravenhage, en mr. E.W. Engelkes, werkzaam bij het ministerie van Justitie. De minister heeft, zoals ter zitting besproken, een nader stuk ingediend. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellant is destijds met ingang van 1 juni 1977 benoemd tot gerechtsdeurwaarder te Amsterdam. Op eigen verzoek is hem met ingang van 12 februari 1990 eervol ontslag verleend. 1.2. Appellant heeft met het oog op een nieuwe benoeming tot deurwaarder een ondernemingsplan, opgesteld op 8 augustus 2005, ingediend bij de Commissie van deskundigen (hierna: commissie), bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw). Naar aanleiding daarvan heeft de commissie aan appellant vragen gesteld die door appellant zijn beantwoord. Bij haar brief van 14 december 2005 heeft de commissie negatief over het plan geadviseerd omdat zij het niet aannemelijk achtte dat een kostendekkende exploitatie na drie jaar mogelijk zal zijn en daarom niet werd voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van de Gdw genoemde benoemingsvoorwaarden. 1.3. Daarna heeft appellant bij zijn brief van 23 december 2005 aan de minister verzocht om benoeming tot gerechtsdeurwaarder te Amsterdam. Desgevraagd heeft de commissie aangegeven geen aanleiding te zien om haar advies nader toe te lichten. De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders heeft bij haar brief van 27 januari 2006 negatief geadviseerd, onder andere omdat appellant ervan blijk heeft gegeven dat hij niet beschikt over actuele kennis van de deurwaarderswetgeving en het ongewenst is een gerechtsdeurwaarder die in de uitoefening van zijn praktijk eerder in staat van faillissement is komen te verkeren, opnieuw tot gerechtsdeurwaarder te benoemen. 1.4. De minister heeft bij zijn besluit van 11 april 2006 het verzoek van appellant afgewezen. Vervolgens heeft de minister deze afwijzing bij zijn besluit van 19 juli 2006 (hierna: bestreden besluit) na bezwaar gehandhaafd. 1.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd omdat naar haar oordeel onvoldoende is gebleken van feiten, omstandigheden of handelingen die aanleiding geven voor de conclusie dat er ten aanzien van appellant gegronde vrees bestaat dat in strijd zal worden gehandeld met hetgeen een goed gerechtsdeurwaarder betaamt. Dit betreft de weigeringsgrond van artikel 7, derde lid, van de Gdw. Omdat de minister het bestreden besluit eveneens had gebaseerd op de grond dat niet is voldaan aan de in artikel 5 - in samenhang met artikel 6 - van de Gdw vermelde voorwaarden en afwijzing op deze grond naar haar oordeel in rechte stand kan houden, heeft de rechtbank echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. 2. De Raad overweegt allereerst ambtshalve dat zowel het primaire besluit als het bestreden besluit namens de minister zijn genomen door dezelfde persoon, te weten de Directeur (toegang) Rechtsbestel. In artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met de genoemde bepaling is genomen. Reeds vanwege dit bevoegdheidsgebrek kan het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en is dit besluit door de rechtbank terecht vernietigd. Naar aanleiding van vragen van de Raad ter zitting heeft de directeur-generaal Rechtspleging namens de minister echter blijkens zijn besluit van 17 december 2007 het bestreden besluit door bekrachtiging geheel voor zijn rekening genomen. Gelet hierop zal de Raad bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. 3. De Raad overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 5 van de Gdw, voor zover hier van belang, is tot gerechtsdeurwaarder slechts benoembaar degene die in het bezit is van een ondernemingsplan dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, alsmede van het advies, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Gdw. Het eerste lid van artikel 6 van de Gdw bepaalt dat het ondernemingsplan zodanig is opgesteld dat daaruit in ieder geval blijkt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.