06/560 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 december 2005, 05/550 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007, waar appellant, met voorafgaande kennisgeving, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel. II. OVERWEGINGEN Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten. Appellant, geboren op 1 mei 1980, is op 20 augustus 2001 uitgevallen wegens rugklachten. Na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door de arts W.R. van der Klooster-Bhaggoe. In haar rapport van 1 oktober 2004 is zij tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van zijn rugklachten beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft zij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige P. de Jong in zijn rapport van 9 november 2004 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk, maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van 15 november 2004 meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 16 januari 2005 wordt beëindigd. In bezwaar heeft appellant samengevat en in hoofdzaak naar voren gebracht dat zijn rugklachten in vergelijking met voorheen niet zijn verbeterd. Om die reden acht hij onjuist dat de beperkingen ten aanzien van de aspecten duwen en trekken zijn vervallen. Voorts heeft hij ook last van pijnklachten aan de linkerzijde van zijn lichaam. Ter ondersteuning van zijn standpunten heeft appellant nadere medische informatie ingebracht. Op 11 april 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep rapport uitgebracht. Daarin heeft hij zich kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde FML. Als reactie op de grief van appellant dat zijn rugklachten niet zijn verbeterd heeft de bezwaararbeidsdeskundige R. Speur in zijn rapport d.d. 11 april 2005 er op gewezen dat appellant op dat moment minder beperkingen heeft ten aanzien van het aspect zitten dan bij de vorige beoordeling. Thans is voldoende dat hij zo en nu en dan even kan staan of lopen in een overwegend zittende functie, terwijl er bij de eerdere beoordeling sprake diende te zijn van een daadwerkelijke afwisseling van houding. Om die reden zijn er nu meer geschikte functies voorhanden dan voorheen. Hij heeft zich kunnen verenigen met het rapport van de voornoemde arbeidsdeskundige, zodat het Uwv bij het bestreden besluit van 12 april 2005 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond heeft verklaard. In beroep heeft appellant, onder handhaving van zijn eerdere in de procedure geuite grieven, nog informatie overgelegd van zijn huisarts, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd door middel van een rapport d.d. 12 juli 2005 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep. De rechtbank heeft zich met zowel met de medische als met de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant wederom gesteld dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv in navolging van de verzekeringsarts zijn aangenomen. Voorts heeft hij naar voren gebracht, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het bij de onderhavige schatting gehanteerde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, dat de geschiktheid van de functies in onvoldoende mate is gemotiveerd. Bovendien is een aantal functies niet geschikt omdat hij de Nederlandse taal slecht beheerst. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat de omvang van zijn maatgevende arbeid ten onrechte is gemaximeerd op 38 uur per week en dat door het Uwv een onjuist indexcijfer is gehanteerd. Van de zijde van het Uwv is gereageerd op deze grieven van appellant door middel van rapporten van de bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst en de bezwaararbeidsdeskundigen Speur, voornoemd, en J. Huisman van respectievelijk 8 november 2007, 4 april 2005 (lees 4 april 2006) en 29 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.