06/7031 NIOAW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 oktober 2006, 05/8365 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College) Datum uitspraak: 29 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 18 december 2007, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant heeft op 29 maart 2005 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) aangevraagd als aanvulling op zijn WAO-uitkering. Appellant heeft verzocht om toekenning van een uitkering met terugwerkende kracht tot 2 maart 2005, zijnde de datum waarop zijn recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is beëindigd. Bij besluit van 27 mei 2005 heeft het College appellant met ingang van 29 maart 2005 een uitkering ingevolge de IOAW toegekend. Bij besluit van 3 november 2005 heeft het College het bezwaar van appellant tegen de in het besluit van 27 mei 2005 vermelde ingangsdatum onder verwijzing naar artikel 16a, eerste lid, van de IOAW ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 november 2005 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de IOAW, stelt het College het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. In artikel 16a, eerste lid, van de IOAW is bepaald dat, indien door het College is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 16a, tweede lid, van de IOAW bij de Centrale organisatie werk en inkomen heeft gemeld om een uitkering aan te vragen. Dit betekent dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het College als gedaagde, heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: “Eiser heeft gesteld zich niet eerder dan op 29 maart 2005 te hebben kunnen melden bij het CWI, nu hij eerst bij brief van 23 maart 2005 door het UWV op de hoogte is gesteld van de beëindiging van zijn WW-uitkering per 2 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.