07/2244 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 maart 2007, 06/2534 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 28 februari 2008 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008, waar appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN Voor de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. Op basis van de vrijwillige ziekengeldverzekering heeft appellante over de periode van 22 april 2003 tot en met 21 april 2004 een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangen, en aansluitend daarop een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Bij besluit van 2 december 2005 heeft het Uwv de vrijwillige ziekengeldverzekering van appellante met ingang van 22 april 2004 beëindigd in verband met het feit dat zij sedert 22 april 2004 geen premie meer heeft betaald voor deze vrijwillige verzekering. Tegen dit besluit heeft appellante op 5 januari 2006, nader aangevuld bij brief van 10 januari 2006, een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 23 januari 2006 heeft het Uwv het besluit van 2 december 2005 ingetrokken en de over de jaren 2004 tot en met 2006 verschuldigde premie alsnog vastgesteld. Daartegen heeft appellante bij brief van 1 februari 2006 bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij met name aangevoerd dat zij, zolang zij volledig arbeidsongeschikt is geen premie verschuldigd is voor de vrijwillige ziekengeldverzekering. Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het Uwv het besluit van 23 januari 2006 ingetrokken en het besluit van 2 december 2005 alsnog gehandhaafd. Bij besluit op bezwaar van 31 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 2 december 2005 ongegrond verklaard, waarbij de motivering van het besluit van 2 december 2005 in die zin is gewijzigd, dat zijn niet meer voldoet aan de voorwaarden om verzekerd te blijven voor de vrijwillige ziekengeld verzekering. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepaling omtrent het griffierecht - het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2005 niet-ontvankelijk verklaard, en het besluit van 8 maart 2006 herroepen. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Ter zitting van de Raad heeft zij benadrukt verzekerd te willen blijven voor de vrijwillige ziekengeldverzekering, maar dat zij zich niet kan verenigen met de verplichting tot premiebetaling zolang zij volledig arbeidsongeschikt is. Zij heeft daarbij gewezen op het feit dat zij ten tijde van haar uitkering krachtens de Ziektewet over de periode 22 april 2003 tot en met 21 april 2004 ook geen premie verschuldigd was voor de vrijwillige ziekengeldverzekering. De door haar over die periode betaalde premies zijn door het Uwv volledig teruggestort. De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bezwaar van appellante van 1 februari 2006 gericht tegen het besluit van 23 januari 2006 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 8 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.