06/1836 CSV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 maart 2006, 05/330 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 28 februari 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 januari 2008, waar partijen zich niet hebben laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang. Betrokkene exploiteerde tot 1 november 2002 een horecabedrijf. Naar aanleiding van een in verband met beëindiging van de bedrijfsuitoefening bij betrokkene gehouden looncontrole over de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 oktober 2002, van welke controle rapport is opgemaakt op 30 oktober 2003, heeft appellant betrokkene correctienota’s, gedateerd 11 maart 2004 en boetenota’s, gedateerd 17 maart 2004, over de jaren 1999 tot en met 2002 doen toekomen. Bij de correctienota’s zijn de premielonen over de jaren 1999 tot en met 2001 gecorrigeerd met toepassing van het besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 21 december 1989 (Stctr.252) inzake waardering van fooien (het Fooienbesluit) en het premieloon over 2002 met toepassing van het Fooienbesluit 2002 van 21 november 2001 (Stcrt.249). Tevens zijn de lonen van de personen waarvan geen loonbelastingverklaring en/of een afschrift van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (WID) in de loonadministratie is aangetroffen, gebruteerd met het zogenaamde anoniementarief. Bij besluit van 7 februari 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de hiervoor genoemde nota’s ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht het beroep van betrokkene tegen het besluit van 7 februari 2005 gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de correctie- en boetenota’s over de jaren 1999 tot en met 2001, dit besluit in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. In haar uitspraak, waarin betrokkene is aangeduid als eiseres, heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: “Artikel 3, eerste lid, van het Fooienbesluit beperkt de werking van dit besluit uitdrukkelijk tot werknemers in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het horeca- en aanverwante bedrijf. Dit beperkte toepassingsbereik is blijkens de toelichting op het Fooienbesluit 2002 aanleiding geweest het Fooienbesluit in te trekken en de tekst in het Fooienbesluit 2002 anders te redigeren. De rechtbank stelt vast dat de werknemers van eiseres slechts van 1 januari 2000 tot 1 juli 2000 aan te merken waren als werknemers in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het horeca- en aanverwante bedrijf. Over de periode van 1 juli 2000 tot 1 januari 2002 waren zij als zodanig niet meer aan te merken omdat zij toen vielen onder de CAO van het Nederlands Horeca Gilde. Arbeidsovereenkomsten die vallen onder de werking van de CAO van het Nederlands Horeca Gilde zijn uitdrukkelijk aan de werkingssfeer van de Horeca-CAO onttrokken. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de CRvB van 22 juli 2004, LJN AQ
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.