05/910 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante]n (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2005, 04/1745 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 7 maart 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend en een vraag van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007, waar namens appellante haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Door de Raad desverzocht heeft A.H.C. Geerlings, neuroloog te Capelle aan den IJssel, bij rapport van 19 november 2007, van verslag en advies gediend. Namens appellante heeft mr. De Jonge, voornoemd, bij brieven van 11 januari en 15 januari 2008 op het deskundigenrapport gereageerd. Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 25 januari 2008, waar namens appellante haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. II. OVERWEGINGEN Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. In geding is het besluit van 2 juni 2004 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 december 2003, waarbij het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 11 februari 2004 heeft ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep is namens appellant - kort samengevat - aangevoerd dat haar lichamelijke klachten zijn onderschat. Voorts zijn de onderzoeksbevindingen van de door de Raad ingeschakelde deskundige Geerlings aangevochten. Ter ondersteuning hiervan is verwezen naar de eerder in de procedure overgelegde informatie uit de behandelende sector, alsook naar de rapporten van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans (Psychosofia), waaronder het recente commentaar van mevrouw Verhage van 9 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.