06/356 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 december 2005, 05/1169 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 12 maart 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Hees. II. OVERWEGINGEN Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. Bij besluit van 18 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van het Uwv om haar met ingang van 14 december 2004 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat op grond van de stukken moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Uit hun rapportages blijkt dat zij op de hoogte waren van de diverse door appellante gestelde klachten. Bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellante is rekening gehouden met rugklachten en een luchtwegaandoening. De overige klachten gaven geen aanleiding tot het aannemen van een beperking, nu daarvoor bij specialistisch onderzoek geen duidelijke afwijkingen zijn gevonden. Appellante heeft haar standpunt dat zij meer beperkt was dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen niet met medische informatie uit de behandelend sector onderbouwd. De medische informatie die zich in het dossier bevindt, geeft de rechtbank geen aanleiding tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De rechtbank concludeert dat de medische grondslag waarop het bestreden besluit berust stand houdt. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de rechtbank dat de arbeidsdeskundige op basis van de vastgestelde medische beperkingen de arbeidsmogelijkheden van appellante nader heeft onderzocht. Hij achtte haar ongeschikt voor haar laatst verrichte arbeid als inpakster. Wel achtte hij haar in staat drie uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies te vervullen. De geschiktheid van appellante voor die functies heeft de arbeidsdeskundige nog nader toegelicht. De rechtbank is op basis van de stukken, in het bijzonder gelet op de nadere toelichting van de primaire arbeidsdeskundige, voldoende overtuigd van de geschiktheid van appellante voor deze functies. Deze zijn dan ook naar het oordeel van de rechtbank terecht aan de schatting ten grondslag gelegd. Op grond van het met die functies te verdienen loon resteert geen verlies aan verdienvermogen. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geweigerd appellante een WAO-uitkering toe te kennen. De Raad overweegt dat in de hoger beroepsfase de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 21 februari 2006 nog is ingegaan op de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van haar behandelend revalidatieartsen. In een rapport van 10 maart 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts voorts gereageerd op nadere informatie van de huisarts. De bezwaarverzekeringsarts zag geen aanleiding het eerdere standpunt te wijzigen. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts in beide rapporten. De verzekeringsartsen hebben de diverse klachten van appellante in hun beoordeling betrokken. Er is kennis genomen van inlichtingen van de behandelend huisarts, cardioloog en revalidatieartsen en van een door appellante aan de bezwaarverzekeringsarts overhandigde voorlopige behandelovereenkomst met een hulpverlener van de GGZ. De informatie van de huisarts bevat ook gegevens over consulten bij diverse andere specialisten. De Raad ziet met de rechtbank ook nu geen grond voor twijfel aan de verzekeringsgeneeskundige beoordeling die aan de schatting ten grondslag ligt en die, na heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts, is gehandhaafd. De Raad kan appellante dan ook niet volgen in haar stelling dat haar belastbaarheid, zoals omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 november 2004, is overschat. De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de rechtbank dat appellante met inachtneming van haar belastbaarheid, zoals omschreven in de FML, in staat moet worden geacht op de datum in geding, 14 december 2004, de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Het betreft de functies textielproductenmaker excl. textielproductiemachines bedienen (sbc-code 111160), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (sbc-code 111180) en inpakker (handmatig)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.