← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7570

07/3791 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van [Verzoekster] (hierna: verzoekster), om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 mei 2007 (05/1640) in het geding tussen: verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 14 maart 2008 I. PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari

  1. Namens verzoekster is mr. De Jonge, advocaat te Vlaardingen, verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.C. Geldof. II. OVERWEGINGEN De Raad is in zijn uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak tot het oordeel gekomen dat de overgelegde rapporten van Instituut Psychosofia niet zijn aan te merken als rapporten van een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). Bij brief van 14 augustus 2007 heeft (de gemachtige van) verzoekster de Raad een verzoek gedaan omschreven als volgt: ‘‘Verzoek tot herziening op grond van evidente onjuistheid, foutieve uitleg van de eigen jurisprudentie en op grond van nieuwe feiten en omstandigheden’’. Verzoekster heeft aangegeven dat zij zich niet kan verenigen met de uitspraak van de Raad, omdat haar aanspraken niet naar behoren zijn erkend. Zij acht herziening van de uitspraak aangewezen omdat de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd, onvoldoende rekening houdt met het wettelijk kader en in strijd is met de jurisprudentie van de Raad. Zij heeft een groot aantal argumenten aangevoerd omtrent de door de Raad gevormde jurisprudentie ter zake van de waarde van de rapporten uitgebracht door het Instituut Psychosofia, de waarde die naar haar mening daaraan behoort te worden toegekend en de wijze waarop naar haar mening door het Uwv en de Raad daarmee dient te worden omgegaan. De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN: AN 7982) kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, herziening aangewezen is. Een door de gemachtigde van verzoekster gewenste hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd. Het verzoek om herziening wordt afgewezen, nu de Raad in hetgeen door de gemachtigde van verzoekster naar voren is gebracht geen feit of omstandigheid als vorenomschreven heeft kunnen ontwaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart
  2. (get.) R.C. Stam. (get.) W.R. de Vries. RJB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.