07/1131 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 5 februari 2007, 06/561 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen (hierna: College) Datum uitspraak: 15 april 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 maart 2008, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Bij besluit van 18 augustus 2005 heeft het College de verlening van bijzondere bijstand voor een eigen bijdrage in kosten van rechtsbijstand geweigerd. Namens appellant is bij brief van 6 december 2005 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij beroepschrift van 20 april 2006 heeft mr. Van Asperen namens appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het College het hiervoor vermelde bezwaar wegens - niet verschoonbare - termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard. In hoger beroep is namens appellant allereerst tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken bij de niet-ontvankelijk verklaring van het beroep dat was ingediend tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Appellant heeft verder betoogd dat zijn bezwaarschrift van 6 december 2005 ontvankelijk verklaard had moeten worden. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Proceskostenveroordeling in beroep De Raad is van oordeel dat de grief inzake de weigering van de rechtbank om een proceskostenveroordeling uit te spreken terecht is voorgedragen. Appellant heeft immers beroep moeten instellen om te bewerkstelligen dat een besluit op bezwaar werd genomen. In een dergelijk geval ligt het in de rede dat de rechtbank gebruik maakt van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde bevoegdheid wanneer zij constateert dat het procesbelang aan een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar is komen te ontvallen door het, hangende beroep, afgeven van een beslissing op bezwaar door het bestuursorgaan. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij is geweigerd om het College in de proceskosten van appellant in beroep te veroordelen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, een zodanige proceskostenveroordeling alsnog uitspreken. De Raad stelt vast dat die kosten beperkt zijn gebleven tot de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met het indienen van een beroepschrift, zijnde 1 punt als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt aan de onderhavige zaak de gewichtsfactor "zeer licht" toegekend. Daarom zal de Raad het College veroordelen in de proceskosten in beroep tot een bedrag van 0,25 x € 322,-- = € 80,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.