06/1022 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 januari 2006, 05/734 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 14 april 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker van Delescen & Scheers Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geschil is op 3 maart 2008 ter zitting aan de orde gesteld. Appellante noch het Uwv is verschenen. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 9 april 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 27 mei 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 11 december 2003 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 9 april 2003 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 9 april 2003 niet gehandhaafd en de WAO-uitkering van appellante met ingang van 12 februari 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 21 oktober 2004 het beroep tegen het besluit van 11 december 2003 voor zover dat zag op de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 27 mei 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van de herziening van de uitkering met ingang van 12 februari 2004 was de rechtbank van oordeel dat het besluit van 11 december 2003 in zoverre moest worden gezien als een primair besluit. De rechtbank heeft om die reden het beroepschrift op dat punt ter verdere afhandeling als bezwaarschrift aan het Uwv doorgezonden. Bij besluit van 2 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv ter uitvoering van de uitspraak van 21 oktober 2004 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en overwogen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 12 februari 2004 juist is vastgesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Omdat het Uwv eerst ter zitting van de rechtbank een volledige en voldoende toelichting heeft gegeven omtrent de geschiktheid van de geduide functies heeft de rechtbank conform de vaste jurisprudentie van de Raad hieromtrent het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. In hoger beroep heeft appellante haar eerder geuite klachten herhaald en gesteld dat zij ten gevolge van die klachten geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Appellante is van mening dat haar standpunt wordt ondersteund door het door haar in de eerste rechtbankprocedure ingebrachte rapport van zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard d.d. 19 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.