06/5104 NABW 06/5105 NABW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2006, 04/3394 (hierna: aangevallen uitspraak), in de gevoegde gedingen tussen: [betrokkene 1] en [betrokkene 2], beiden laatstelijk gewoond hebbende te Amstelveen en appellant Datum uitspraak: 29 april 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De zaken zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld op 18 maart 2008, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is gehuwd geweest met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). Uit dit huwelijk is een kind geboren. Aan [betrokkene 1] is vanaf 18 augustus 1995 bijstand toegekend naar de norm voor een eenoudergezin. Naar aanleiding van een aanvraag om woonkostentoeslag op 17 november 1998 heeft [betrokkene 1] aan de sociale dienst een (kopie van een) huurovereenkomst van haar nieuwe woning overgelegd. Vervolgens is gebleken dat de op de oorspronkelijke huurovereenkomst voorkomende naam van [betrokkene 2], als (mede)huurder van die woning, op de overgelegde kopie daarvan was weggelakt. Dit heeft geleid tot het afleggen van een huisbezoek op 12 september 2000 in de woning van [betrokkene 1], [adres] te Amsterdam. Uit de bevindingen van dit huisbezoek heeft appellant de conclusie getrokken dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] sedert 28 januari 1999, de datum waarop zij de betreffende huurovereenkomst hebben ondertekend, op genoemd adres met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Bij brief van 19 september 2000 heeft appellant [betrokkene 1] meegedeeld dat zij met ingang van 28 januari 1999 geen recht meer heeft op bijstand omdat zij op die datum is gaan samenwonen met [betrokkene 2] en zij samen een inkomen hebben dat minstens zo hoog is als de aan [betrokkene 1] verleende bijstand. Voorts is meegedeeld dat een onderzoek wordt verricht om na te gaan of de datum met ingang waarvan [betrokkene 1] geen recht meer heeft op bijstand correct is. Bij brief van 28 augustus 2003 heeft appellant betrokkenen meegedeeld dat de bijstand van [betrokkene 1] terecht met ingang van 28 januari 1999 is ingetrokken. Voorts heeft appellant besloten de kosten van bijstand over de periode van 28 januari 1999 tot en met 30 augustus 2000 inclusief woonkostentoeslag, tot een bedrag van € 24.230,73 van [betrokkene 1] terug te vorderen en mede van [betrokkene 2] terug te vorderen. Bij besluit van 8 juni 2004 heeft appellant de bezwaren tegen het besluit van 28 augustus 2003 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene 1] gegrond verklaard, het besluit van 8 juni 2004, voor zover het betrekking heeft op de intrekking en op de terugvordering van de kosten van bijstand van [betrokkene 1], vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op 19 september 2000 slechts besloten is de bijstand van [betrokkene 1] voor de toekomst te beëindigen en dat eerst bij het besluit van 28 augustus 2003 de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 28 januari 1999 is ingetrokken. Voorts is overwogen dat uit de enkele medeondertekening van de huurovereenkomst op 28 januari 1999 door [betrokkene 2] niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 2] al vanaf die datum feitelijk zijn hoofdverblijf heeft gehad bij [betrokkene 1] zodat een gezamenlijke huishouding van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vanaf die datum onvoldoende is komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank is wel komen vast te staan dat [betrokkene 1] door het overleggen van een vervalste kopie van de huurovereenkomst de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene 2] niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand. De rechtbank heeft het beroep voor het overige gegrond verklaard, het besluit van 8 juni 2004 vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op de medeterugvordering en het besluit van 28 augustus 2003 in zoverre herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [betrokkene 2] geen belanghebbende is bij het besluit tot intrekking van de aan [betrokkene 1] verleende bijstand. Volgens de rechtbank is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) zodat appellant ten onrechte de aan [betrokkene 1] verleende bijstand mede van [betrokkene 2] heeft teruggevorderd. Ten slotte heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak beslissingen gegeven inzake griffierecht en proceskosten. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De intrekking De Raad is met appellant en anders dan de rechtbank van oordeel dat appellant reeds op 19 september 2000 heeft besloten de bijstand van [betrokkene 1] met ingang van 28 januari 1999 in te trekken. De tekst en de strekking van de brief van 19 september 2000 laten geen andere conclusie toe. Dat blijkens de brief van 19 september 2000 nader onderzoek zal worden verricht naar de juistheid van de ingangsdatum van de intrekking maakt dat niet anders. In dit licht bezien is de mededeling in het besluit van 28 augustus 2003 dat de bijstand van [betrokkene 1] terecht met ingang van 28 januari 1999 is ingetrokken niet anders te beschouwen dan als een mededeling van informatieve aard waaraan geen (nieuwe) rechtsgevolgen zijn verbonden. Dat betekent dat in zoverre geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een tegen een dergelijke mededeling gericht bezwaar dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Appellant heeft derhalve het bezwaar tegen de betreffende mededeling ten onrechte ongegrond verklaard. De terugvordering De Raad stelt vast dat [betrokkene 1] tegen het besluit van 19 september 2000 geen rechtsmiddel heeft aangewend, zodat de intrekking van de bijstand met ingang van 28 januari 1999 in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat appellant gehouden was over te gaan tot terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 28 januari 1999 tot en met 30 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.